Liter 93 verschijnt in maart. Hier, bij wijze van voorpublicatie, de daarin opgenomen recensie van de door Agnes Hoffschulte vertaalde gedichten van Hadewijch in Oerewoet, gedichten over minne en beminnen door Menno van der Beek.

 

Zij gaan vaak helder tegemoet - Menno van der Beek

 

De Abt van Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven, Bernardus Peeters, introduceert vriendelijk en aanbevelend deze nieuwe selectie van alle vijfenveertig bekende gedichten van Hadewijch, een dertiende-eeuwse dichteres en mystica. Van Hadewijchs leven is erg weinig bekend. Het vermoeden is dat zij lid was van de Begijnen, groepen vrome vrouwen die hun leven buiten het klooster toch een gewijde staat probeerden te geven; dat maakte hen, met hun soms vrije en ruimdenkende ideeën, niet altijd populair bij de hoofdstroom van het monastieke katholicisme, maar die kou is in elk geval blijkbaar uit de lucht, gezien dit voorwoord.

 

In haar inleiding zet de vertaalster Hoffschulte de zaak op scherp. ‘Minne’, het thema en de orgeltoon van Hadewijchs gedichten, dat is de liefde, maar wel een gefocuste liefde, aldus Hoffschulte: ‘Geen tijd voor leegtemeditaties. In abstracte en anonieme eenheidservaringen kan geen liefde bestaan. Hadewijch verkondigt.’ Hoffschulte gelooft in de teksten en gelooft ook in hun concreet theologische toepassing. We krijgen Hadewijchs gedichten, hertaald, in helder modern Nederlands. Na ieder gedicht volgt een korte uitleg van de vertaler; aan het eind van het boek treffen we een iets langere algemene beschouwing aan.

 

Wat betreft de vertaling schrijft Hoffschulte: ‘Ik heb deze gedichten niet op rijm vertaald, al lijken de kopjes die ik heb toegevoegd boven elk gedicht daar wel op, die komen steeds uit het betreffende gedicht’. De twee regels die wel rijmen en die de vertaler als kopje gebruikt, doen verlangen naar meer rijm: het moderne Nederlands waar de gedichten nu in beland zijn doet plezierig rustig aan, de regels zijn in een natuurlijk ritme neergezet en  lijken de originele inhoud goed weer te geven, maar een flink deel van de magische galm en de dwingende cadans van het origineel is onherroepelijk weg. Beperkt kan de lezer dat zelf controleren, omdat er hier en daar in het boek een paar flarden van de originele tekst zijn opgenomen. Vers negen van gedicht 32 bijvoorbeeld, waar ook het titelwoord valt:

Traghen herten ende nederen sinnen / Hen blijft verborghen t grote goet, / Dat die ghene wel bekinnen, / Die leven in minnen orewoet; / Want si doen menich scoen ghemoet  / in storme ende in auontuere, / Hets recht dat si hebben spoet /, inder minnen hoeghe natuere.

En de vakkundige vertaling gaat dan als volgt:

‘Aan trage harten en lage gezindheid / blijft verborgen het grote goed / dat zij wel leren kennen / die leven in de hartstocht van minne, haar orewoet.  / Want zij gaan vaak helder tegemoet / in stormen en avonturen. / Terecht hebben zij geluk / in de verheven natuur van minne.’

Helder, neigende naar de prozaïsche soberheid van moderne vrije verzen. En dan de uitleg, na ieder gedicht. Gedicht twee, strofe vijf luidt:

‘Wie naar die genieting in minne smacht, / overwint alle smart. / Wie door minne is aangeraakt / kan niet sterven / (haar naam ‘amor’ betekent immers ‘uit de dood’) / wie deed wat minne gebood / en daarbij niet tekort schoot. / Zij is van alles de weelde, boven alles heerlijk, / het Levende Brood.’

In de uitleg zegt Hoffschulte dan: ‘Het gaat bij alles om beproeving van trouw. Veel meer dan de schone schijn van het lege gepraat en fijne ervaringen van rust. Met “het Levende Brood” (5) is natuurlijk Christus bedoeld.’[p. 23]. De hoofdletters zijn hier, voor zover ik in mijn versie van het origineel kon nagaan, van Hoffschulte, niet van Hadewijch, en zo ook de precieze identificatie van de minne met Christus. Het is een houdbaar standpunt, en tegelijk houdt niet iedereen van een sluitende uitleg bij gedichten.  Liefhebbers die zelf willen peinzen over de betekenis kunnen de uitleg misschien overslaan. Maar voor wie ervan houdt: de uitleggingen geven een didactische draai aan deze zo lang geleden aangeheven minneliederen. Overigens is juist het net geciteerde couplet nogal van rijm voorzien: waar dat gebeurt, worden de vertalingen gelijk behalve precies ook levendig en beginnen ze enigszins te huppelen. Doorgaans wordt het rijm bij deze hertalingen spaarzaam, misschien wel te spaarzaam ingezet.

Het mooie van dit boek is dat de lezer door de heldere en de inhoud precies volgende vertalingen goed de strekking van Hadewijchs nog steeds springlevende verzen kan volgen, en haar gedachtegangen kan nagaan. De lezer kan die gedachten dan eventueel zelf tegen de uitleg van de commentator aanhouden. Hadewijch kan het nog altijd hebben: de interpretatie van een kritische lezer of de invulling van een gedreven uitlegger.

 

Hadewijch, vert. en ingel. door Agnes Hoffschulte, Oerewoet, gedichten over minne en beminnen. Uitg. Kok Boekencentrum, Utrecht 2018, 240 blz., € 24,99.

 

Hier staat een gratis downloadbare PDF met de originele teksten van Hadewijch.

Submit to FacebookSubmit to Twitter