Vertaald door Astrid Staartjes

 

Het essay Catholic Novelists and Their Readers verscheen in 1963 in het boek Mystery and Manners: Occasional Prose. Deze vertaling is een ingekorte versie van dit essay.

 

*

 

Wanneer ik aan de katholieke schrijver en zijn problemen denk, moet ik altijd denken aan de legende van Franciscus van Assisi en de wolf van Gubbio. Volgens deze legende bekeerde Sint-Franciscus een wolf. Ik weet niet of hij die wolf daadwerkelijk bekeerde of dat de wolf na de ontmoeting met Sint-Franciscus simpelweg zijn leven beterde. Hoe dan ook, het beest was aanzienlijk gekalmeerd. Maar de moraal van dit verhaal, voor mij althans, is dat de wolf, ondanks zijn verbeterde levenswandel, altijd een wolf bleef. Hetzelfde geldt – of zou moeten gelden – voor de katholieke, of laten we zeggen de diepchristelijke schrijver. Al is hij nog zo verbeterd door de Kerk, als schrijver moet hij trouw blijven aan zijn schrijverschap. De Kerk zou van de schrijver een betere schrijver moeten maken. Ik zeg ‘zou’, want dit is helaas niet altijd het geval. De katholieke schrijver gaat veelal zo op in zijn christelijke geloof dat hij vergeet dat hij een schrijver is. Daar is niets mis mee, dat is prima – als hij ophoudt met schrijven. Maar meestal doet hij dat juist niet en zet hij zichzelf net zo te kijk als de wolf zou hebben gedaan wanneer die na de ontmoeting met Sint-Franciscus op zijn achterpoten was gaan lopen.

Een schrijver is in de eerste plaats iemand die begiftigd is met een specifiek talent, en het is de taak van iedere schrijver om zijn talent tot het uiterste te benutten. Misschien is het wel zo handig als ik eerst uitleg wat voor schrijver ik bedoel. Ik bedoel de schrijver die fictie als een kunst beschouwt en die zich heeft overgegeven aan de eisen en de ongemakken van het vak. Ik bedoel de schrijver die noch voor iedereen noch voor een select groepje schrijft, maar die het te doen is om het geschreven werk zelf. Sint-Thomas van Aquino stelt dat kunst geen morele insteek vereist, dat het puur gaat om de kwaliteit van datgene wat wordt gemaakt. Hij stelt dat een kunstwerk goed is in zichzelf, iets wat tegenwoordig maar al te vaak uit het oog wordt verloren. Tegenwoordig willen we iets maken dat ergens toe dient. Maar wat in zichzelf goed is, eert God omdat het God weerspiegelt. De kunstenaar volbrengt zijn taak door zich te wijden aan zijn kunst, en daar heeft hij de handen vol aan. Hij kan het evangeliseren met een gerust hart aan de evangelisten overlaten.

De schrijver die fictie als roeping heeft, dient de waarheid van wat zich in het leven kan voordoen, en niet de lezer – niet diens smaak, niet diens geluk en zelfs niet diens morele opvattingen. De katholieke schrijver hoeft geen heilige te zijn; hij hoeft zelfs geen katholiek te zijn, maar hij moet helaas wel een schrijver zijn. Dit betekent niet dat de schrijver geen morele visie moet hebben; om te begrijpen wat het wel inhoudt, is het denk ik noodzakelijk stil te staan bij wat fictie is, of het nu een roman of een kort verhaal is, en wanneer je fictie ‘katholiek’ kunt noemen. Uiteraard is de ‘katholieke roman’ al een dubieuze term op zich, en mensen die zich hier bewust van zijn, zullen hem alleen tussen aanhalingstekens zetten. Als ik zou moeten uitleggen wat een ‘katholieke roman’ is, zou ik alleen maar kunnen zeggen dat het een roman is die de werkelijkheid afschildert zoals die zich manifesteert in deze wereld der dingen en menselijke relaties. Alleen door middel van aardse ervaringen kan de schrijver beschouwende kennis ontplooien van het mysterie dat ze belichamen. Daarover schrijven betekent niet alleen schrijven over het goede wat erin besloten ligt, maar ook over het kwade, en niet alleen over het kwade maar ook over dat aspect dat noch goed noch kwaad lijkt te zijn, dat nog niet in een christelijk licht is bezien. Onze Kerk, of zelfs de universele Kerk, is slechts een klein segment van de totale schepping. Als velen geroepen zijn en weinigen uitverkoren, dan is het wellicht voor nog minder mensen een keuze – al dan niet onbewust – om christen te zijn, maar toch is de hele werkelijkheid potentieel het Koninkrijk Gods. Dat betekent dat wat wij een katholieke roman noemen niet noodzakelijk over een christelijke of katholieke wereld gaat, maar simpelweg een roman is waarin de waarheid zoals christenen die kennen de lens is waardoor de wereld wordt bekeken.

Het katholieke leven, beschreven door een katholiek, hoeft niet per se een prettige leeservaring voor katholieken te zijn. In de Verenigde Staten hebben we bijvoorbeeld J.F. Powers, een erg goede schrijver, van huis uit katholiek, die roomsen haarscherp portretteert. Ze zijn vulgair, dom, hebzuchtig en verschrikkelijk alledaags, en dit alles heeft een onmiskenbaar katholiek sociaal tintje. Powers schrijft niet over zulke katholieken om de Kerk te schande te maken; hij schrijft over hen omdat hij, bij de gratie Gods, niet over een ander slag kan schrijven. Een auteur schrijft over wat hij geloofwaardig kan overbrengen.

Elke dag zien we mensen die hun talent misbruiken om hun populariteit te vergroten of onnodig veel geld te verdienen. We kunnen gerust stellen dat dit, indien doelbewust gedaan, verwerpelijk is. Maar volgens mij zien we nog vaker dat mensen hun talenten misbruiken in de naam van God, om – in hun ogen – goede redenen: om lezers tot inkeer te bewegen, hen te onderrichten of naar de Kerk te leiden. En daarvan is het een stuk lastiger te zeggen dat het verwerpelijk is. Het is niet aan ons om te oordelen over zulke mensen, maar de waarheid gebiedt ons wel een oordeel te vellen over hun creaties. We moeten zeggen of deze of gene roman waarheidsgetrouw het aspect van de werkelijkheid portretteert dat de auteur beoogt te portretteren. De schrijver die zijn talent moedwillig misbruikt voor een goed doel begaat wellicht geen zonde, maar hij maakt zich wel schuldig aan een ernstige inconsistentie want hij probeert God te weerspiegelen door middel van iets wat feitelijk een praktische onwaarheid is. Slecht geschreven romans – al gedragen de personages zich nog zo deugdzaam en godsdienstig – zijn niet goed in zichzelf en om die reden niet verheffend.

Een goed voorbeeld van een erg middelmatige roman die voor een goed doel is geschreven is The Foundling, van kardinaal Spellman. Het is niet aan ons om kardinaal Spellman te beoordelen, behalve als schrijver, en op dat vlak schiet hij nogal tekort. Het is natuurlijk een prettig idee dat je met de aanschaf van het boek de wezen steunt voor wie de opbrengst is bestemd, en als je het uit hebt kun je het altijd nog als deurstopper gebruiken. Maar laat het vooral helder zijn dat je daarmee bijdraagt aan het welzijn van de wezen en niet aan het niveau van de Amerikaanse katholieke literatuur. Er zijn echter ook boeken met een katholieke teneur die niet zo onbetekenend zijn als The Foundling maar die door de stichtelijke intenties van de schrijver de helft tot driekwart van het menselijke leven weglaten, en om die reden niet trouw zijn aan de mysteriën die we kennen vanuit het geloof of die we zelf waarnemen.

De schrijver moet de illusie creëren van een hele wereld met daarin geloofwaardige personages, en het belangrijkste verschil tussen een orthodox christelijk auteur en een louter naturalistische, is dat de christelijke romanschrijver in een groter universum leeft. Hij gelooft dat de natuurlijke wereld het bovennatuurlijke omvat. Dat verplicht hem niet minder de natuurlijke wereld te beschrijven – eerder meer. Wat de schrijver als waarheid ziet, moet in een roman worden gegoten en een concrete, menselijke vorm krijgen. Als je terugschrikt voor zintuigelijke ervaringen, kun je geen fictie lezen, maar je zult ook niets anders in deze wereld kunnen begrijpen, want elk mysterie, behalve in de laatste stadia van de meditatieve contemplatie, bereikt de menselijke geest door middel van de zintuigen. Christus heeft ons niet door een intellectuele daad verlost maar door zijn menswording, en hij spreekt nu tot ons via ‘de zichtbare Kerk’. Dit alles lijkt misschien mijlenver van het onderwerp fictie af te staan, maar het tegendeel is waar, want de fictieschrijver houdt zich bezig met het mysterie zoals dat is belichaamd in het menselijk bestaan. Dit betekent voor de schrijver dat als hij het plaatshebben van het bovennatuurlijke wil laten zien, hij dit alleen kan doen door middel van concrete, aardse gebeurtenissen, en als hij die gebeurtenissen niet geloofwaardig weet te maken, dan zal hij hun spirituele strekkingen al helemaal niet weten over te brengen.

De schrijver moet zijn ogen openen voor de wereld om hem heen en goed kijken. Hij moet blijven kijken, zelfs wanneer wat hij ziet weinig verheffend is. Vervolgens moet hij in woorden vatten wat hij ziet. Dat is het eerste punt waarop de katholieke schrijver misschien frictie begint te voelen tussen wat van hem verlangd wordt als schrijver en wat van hem verlangd wordt als katholiek, want wat hij steeds weer ziet is een gevallen mens, misleid door verkeerde filosofieën. Moet hij dit in woorden vatten? Of moet hij wat hij ziet veranderen in iets wat het volgens zijn geloofsovertuiging hóórt te zijn? Moet hij de realiteit oppoetsen? Hoe kan de schrijver tegelijkertijd trouw zijn aan het moment en aan de eeuwigheid, aan wat hij ziet en aan wat hij gelooft, aan het relatieve en aan het absolute? En hoe kan hij dit allemaal doen en tegelijkertijd trouw blijven aan de kunst van de roman, waarin hij de illusie van het leven moet wekken?

Ik heb gemerkt dat mensen buiten de Kerk er vaak van uitgaan dat de Kerk de katholieke schrijver in zijn creativiteit belemmert en hem ervan weerhoudt tot volle wasdom te komen. Deze mensen voeren aan dat er, in ieder geval in dit land, maar weinig katholieke kunstenaars en schrijvers zijn, en dat degenen die op creatief gebied iets bereiken meestal bekeerlingen zijn. Deze kritiek moeten we niet zomaar wegwuiven. Ze is terecht waar het aankomt op de manier waarop het katholicisme in ons katholieke onderwijssysteem of vanaf de kansel veelal wordt uitgedragen, of door onszelf verkeerd in praktijk gebracht, maar dat is uiteraard geen terechte kritiek op het geloof zelf.

Er is geen enkele reden waarom de schrijver de wereld die hij ziet in een dogmatisch keurslijf zou moeten persen. Integendeel, het katholieke dogma is een instrument om de realiteit mee te doorgronden. De fictieschrijver is bovenal een observator, maar hij kan pas adequaat observeren als hij zekerheid heeft over wat hij ziet. Hij voelt zich niet geroepen om op de stoel van God te gaan zitten en een nieuw universum te creëren. Hij voelt zich vrij om de bestaande wereld gade te slaan en te tonen wat hij ziet. Hij voelt niet de behoefte om Gods wegen goed te praten, en hij voelt ook geen behoefte om weg te kijken van de wegen van de mens. De open en vrije observatie is gestoeld op ons fundamentele geloof dat het universum zinvol is, zoals de Kerk ons leert.

In de serieuze fictie die vandaag de dag door katholieken wordt geschreven zien we een opvallende fascinatie met het verdorvene, het kwade en het gewelddadige. Het vrome argument tegen dit soort romans gaat ongeveer zo: als je in de verlossing gelooft, is je ultieme visie er een van hoop, dus in je blik op de wereld moet je die visie trouw blijven; je moet het kwade negeren en zoeken naar het goede, want het goede bestaat; het is de ultieme werkelijkheid. Het begin van een antwoord hierop is dit: hoewel het goede de ultieme werkelijkheid is, heeft de zondeval deze ultieme werkelijkheid in de mens verzwakt, en dit verzwakte leven is wat we zien. De fictieschrijver zou zich moeten onderscheiden door zijn visie. Zijn visie is een profetische visie. Profetie, die berust op verbeeldingskracht en niet op moreel inzicht, is niet per se een kwestie van de toekomst voorspellen. De profeet is een realist van vergezichten, hij deinst er niet voor terug om dingen te vertekenen om zo een verborgen waarheid te laten zien. Dit is het soort realisme dat je in grootse romans aantreft. Voor de katholieke schrijver is profetische visie niet alleen een kwestie van zijn persoonlijke gave van de verbeeldingskracht, het is ook een kwestie van de gave van de Kerk, die, in tegenstelling tot de zijne, verzekerd is en verhevener materie betreft. Het is een van de taken van de Kerk om de profetische visie die goed is voor alle tijden uit te dragen, en wanneer de schrijver deze visie opneemt in die van zichzelf, zal zijn blik veel verder reiken.

Helaas denken we maar al te vaak dat wij de ogen kunnen sluiten en dat de ogen van de Kerk het werk zullen doen. Niets is minder waar. We vergeten dat wat wij als een verder reikende blik ervaren, door de rest van de wereld als een merkwaardige, arrogante blindheid wordt opgevat, en dat de waarheid van wat wij laten zien pas tot de hedendaagse lezer doordringt als we onze eigen visie inschakelen. Als de katholieke schrijver zijn ogen sluit en met de ogen van de Kerk probeert te kijken, krijg je het zoveelste vrome pulpboek waar wij al zo lang het patent op hebben. Het zou dwaas zijn om te zeggen dat er geen conflict tussen deze twee paar ogen bestaat, en het is een conflict dat we niet ongestraft uit de weg kunnen gaan en dat niet van tevoren kan worden beslecht door middel van theorieën, besluiten van hogerhand of geloof. Sommige katholieke schrijvers voeren voornamelijk een strijd met eigen ogen, anderen juist met de ogen van de Kerk. Het kan zijn dat de schrijver het gevoel heeft dat hij zich los moet maken van de ogen van de Kerk om zijn eigen ogen vrij te kunnen gebruiken en de wereld als door de lens van een camera te registreren. Maar wanneer je je blik van je geloof loskoppelt, doe je je hele persoonlijkheid geweld aan, terwijl je hele persoonlijkheid nu juist betrokken is bij het schrijfproces. De spanningen van het katholieke schrijverschap zullen waarschijnlijk pas wijken als de auteur de Kerk zodanig weet te verinnerlijken dat hij haar kan vergeten, zoals hij bij het schrijven ook zichzelf vergeet. Dit is de geestesgesteldheid waar we naar streven maar die – vooral door schrijvers – in dit leven zelden wordt bereikt. De Heer spreekt niet direct tot de schrijver zoals Hij tot zijn dienaar Mozes sprak; Hij spreekt tot hem zoals Hij tot de morrende Aaron en Maria sprak: in dromen en visioenen, in horten en stoten, en door alle mindere en beperkte wegen van de verbeelding.

Ik zou graag willen geloven dat er in de toekomst katholieke schrijvers zullen zijn die vaardig en met durf van deze twee paar ogen gebruik zullen maken, maar het lijkt me al te overmoedig om daarvan uit te gaan. Voor literatuur zijn zowel schrijvers als lezers nodig. Een van de meest ontmoedigende factoren voor de katholieke schrijver is dat hij niet kan rekenen op een groot publiek dat zijn werk begrijpt. De huidige, intelligente lezer is in de regel geen gelovige. Hij leest graag romans over priesters en nonnen uit een soort antropologische nieuwsgierigheid, maar hij begrijpt weinig van personages die door geloof worden gedreven. De katholiek lezer daarentegen is zo naarstig op zoek naar iets wat zijn religieuze opvattingen bevestigt en hem in een zo goed mogelijk daglicht stelt, dat hij alles wat dat doel niet dient verdacht vindt. Hij schermt voortdurend met het woord ‘positief’: de katholieke roman moet vooral ‘positief’ zijn. In recensies waarin katholieke schrijvers zoals François Mauriac en Graham Greene worden neergesabeld, wordt vaak de indruk gewekt dat de katholieke schrijver boven de vruchten van zijn eigen verbeeldingskracht zou moeten uitstijgen door christelijke principes als leidraad te nemen en op zoek te gaan naar een leven dat daarmee strookt. Op die manier krijg je blijkbaar gegarandeerd ‘positieve’ romans. Deze recensenten vergeten dat de romanschrijver niet over algemene levensovertuigingen schrijft maar over mensen met een vrije wil, en in ons geloof wijst niets op een vanzelfsprekend optimisme over de mens die zo vrij is om met zijn laatste adem ‘nee’ te zeggen. Katholieke literatuur is positief in de zin dat we de vrijheid hebben te bestaan, maar de Kerk heeft ons nooit willen doen geloven dat de hel iets is waar we ons niet druk over hoeven te maken. De schrijver gebruikt zijn ogen voor wat zich toevallig aandient. Hij bepaalt niet wat goed zou zijn voor de geloofsgemeenschap om daar vervolgens zijn werk op af te stellen. Zoals een weifelende Jacob gaat hij met open vizier de confrontatie aan, twijfelend of hij überhaupt wel levend uit de strijd zal komen.

In mijn ervaring wordt de serieuze schrijver tijdens het schrijven van een roman in hevige mate geconfronteerd met zijn eigen beperkingen en die van zijn medium. Hij weet dat zijn werk alleen overeind zal blijven als hij integer blijft en hij zich niets gelegen laat liggen aan modieuze trends. We moeten hem puur beoordelen op basis van artistieke regels, en die zijn heel wat strenger dan de regels van de Kerk. Er zijn romans die een schrijver als goed katholiek met opgeheven hoofd zou kunnen schrijven, maar die hem als kunstenaar het schaamrood op de kaken zouden jagen.

Wij katholieken zijn erg ingesteld op kant-en-klare antwoorden. Die biedt fictie niet. Fictie laat ons, net als Job, achter met een nieuw besef van mysterie. Sint-Gregorius schreef dat de heilige tekst met elk beschreven feit een mysterie onthult. Dat is wat de fictieschrijver, op zijn eigen niveau, nastreeft. Het gevaar voor de schrijver die wordt gedreven door zijn religieuze kijk op de wereld is dat hij die twee dingen uit elkaar haalt: hij probeert het mysterie weer te geven zonder feiten, en er volgen nog meer scheidingen die de kunst niet ten goede komen. Oordeel wordt losgekoppeld van visie, natuur van genade en verstand van verbeelding. Deze scheidingen, die we terugzien in de maatschappij en in onze verhalen, kunnen door het geloof worden opgeheven wanneer we ons realiseren dat geloof ‘in duisternis rondwandelen’ is en niet een theologische ontrafelingspoging van het mysterie. De dichter is traditioneel een blinde, maar de christelijke dichter – en verteller – is als de blinde die door Christus werd aangeraakt en mensen als wandelende bomen zag. Dit is het begin van een visie, en het is een uitnodiging voor vreemdere visioenen die we moeten leren omarmen als we ware christelijke literatuur willen voortbrengen.

Het universum van de katholieke fictieschrijver is gebaseerd op de katholieke geloofswaarheden, met name op drie basisleerstellingen: de zondeval, de verlossing en het laatste oordeel. Dit zijn dogma’s waar de moderne seculiere wereld niet in gelooft. Zij gelooft niet in de zonde, of in de waarde die lijden kan hebben, of in eeuwige verantwoordelijkheid, en aangezien we in een wereld leven die sinds de zestiende eeuw in toenemende mate wordt gedomineerd door seculiere opvattingen, schrijft de katholieke schrijver veelal in en voor een wereld die niet openstaat voor de betekenis van het leven zoals hij die ziet. Dit betekent dikwijls dat hij naar geweld moet grijpen om zijn visie over te brengen op een vijandig publiek, en de beelden en handelingen die hij verzint zijn in de ogen van een katholiek misschien verwrongen en te zwaar aangezet.

Om zijn talent ten volle te benutten moet de schrijver op zijn eigen intellectuele niveau schrijven, anders verkwanselt hij zijn talent. Dat betekent niet dat hij niet zou mogen proberen zo veel mogelijk mensen te bereiken, het betekent dat hij zijn eisen niet naar beneden moet bijstellen om dat voor elkaar te krijgen. Arthur Koestler heeft gezegd dat hij honderd lezers uit zijn eigen tijd maar al te graag zou inruilen voor tien lezers van tien jaar later, en dat hij die op hun beurt maar al te graag zou inruilen voor één lezer van nog eens honderd jaar verder. Zo denkt iedere serieuze auteur erover. Als de schrijver volgens de regels van de kunst probeert te schrijven wat hij ziet, dan zullen er uiteraard lezers onder zijn publiek zijn die niet begrijpen wat hij doet en er dientengevolge aanstoot aan nemen. Dit brengt me bij het tweede vrome argument tegen de creaties van auteurs die zich laten leiden door de artistieke kwaliteiten van hun werk: het gevaar dat de schrijver diegenen die niet begrijpen wat hij doet van het rechte pad brengt. Het is heel goed mogelijk dat wat voor de schrijver visie en waarheid is, voor de lezer verzoeking en zonde is. Het gevaar bestaat dat een schrijver door te beschrijven wat hij ziet de een of andere ‘kleine’ op het slechte pad brengt, en beter werd hem een molensteen om de nek gehangen.

Dit is niet iets wat de consciëntieuze romanschrijver die hiermee te kampen krijgt in de koude kleren gaat zitten. Als je dit soort absolute verantwoordelijkheid in de schoenen van de schrijver schuift, zadel je hem naar mijn idee op met zaken die alleen aan God zijn voorbehouden. Volgens mij is de oplossing van dit specifieke probleem gelegen in het onderwerp waar we mee zijn begonnen: de regels van de kunst en de aard van fictie zelf. Als het een schrijver te doen is om het creëren van een kunstwerk, een werk dat goed is in zichzelf, zal hij zijn uiterste best doen om alle overdaad, alles wat niet bijdraagt aan de centrale betekenis en de opbouw van het verhaal, te beperken. Hij kan zich niet bezondigen aan sentimentaliteit, propaganda of pornografie, omdat dit allemaal excessen zijn. Ze vestigen de aandacht op zichzelf en leiden af van het werk in zijn geheel.

De fictieschrijver moet een wereld neerzetten die in alle aspecten geloofwaardig is. Er zijn talloze katholieke lezers die een roman openslaan en het boek bij het eerste het beste blote been snel wegleggen. We roepen altijd dat de schrijver minder expliciet moet zijn in aardse zaken of in zijn beschrijving van de zonde. Op de schrijver rust inderdaad een plicht, maar die bestaat naar mijn idee uit het gehoorzamen aan de regels van het vak, en als we hem ergens op moeten afrekenen, dan puur en alleen op die artistieke criteria. Veel katholieke lezers zijn zich overbewust van wat zij als obsceniteiten beschouwen om de simpele reden dat ze nergens anders op letten. Ze zijn niet toegerust om iets anders te zien. Ze zijn zich totaal niet bewust van de opbouw, de toon, de intentie, de betekenis of zelfs maar de waarachtigheid van wat ze in hun handen hebben. Ze zien het boek niet vanuit een perspectief waarbij elk deel zijn plaats heeft in het geheel. De roep om positieve literatuur die we zo vaak onder katholieken horen, komt vermoedelijk voort uit zwak geloof en ook uit dit algemene onvermogen om te lezen, maar zeker ook uit de veronderstelling dat de duivel een grote rol speelt in de productie van fictie. Waarschijnlijk speelt de duivel de grootste rol in de productie van die fictie waar hij zelf angstvallig uit is weggelaten.

Dan zijn er nog mensen die beweren dat je niets van de lezer mag verlangen. Ze beweren dat de lezer niets van kunst af weet en dat je, om hem te bereiken, deemoedig naar zijn niveau moet afdalen. Dit veronderstelt dat het doel van kunst is te onderwijzen, wat niet klopt, of dat het tijdsverspilling is om iets te maken wat simpelweg goed is in zichzelf. Kunst laat zich nooit democratiseren; kunst is niet voor iedereen, maar alleen voor degenen die moeite willen doen om het werk te begrijpen. Men heeft de mond vol over de deemoed die nodig zou zijn om af te dalen, maar het vraagt net zo veel deemoed en waarheidsliefde om jezelf te verheffen en door hard te werken een hoger niveau te bereiken. En dat is absoluut de plicht van de katholiek. Het is zijn plicht op alle vlakken in het leven maar vooral daar waar hij zich verstout te oordelen. Onwetendheid is vergeeflijk als zij als een kruis wordt gedragen, maar als er met morele verontwaardiging mee wordt geschermd, wordt het een heel ander verhaal. We weerspiegelen de Kerk in alles wat we doen, en degenen die helder inzien dat ons oordeel verkeerd is op het gebied van kunst, kan twijfel aan ons oordeel in geloofszaken nauwelijks worden nagedragen.

 

In Liter 92 staan nog twee vertalingen van Flannery O'Connor door Astrid Staartjes: het verhaal 'Goede mensen zijn dungezaaid'  ('A good man is hard to find' (1953)) en een voordracht die ze van en over datzelfde verhaal gaf in 1963.

Submit to FacebookSubmit to Twitter