door Len Borgdorff, 7 januari 2019

 

Het is nu volgende week en ik heb zojuist het rondje gefietst waarvan ik de helft jaar en dag ook naar mijn school in Maarssen fietste. Daarbij kwam ik vaak dezelfde mensen tegen. Daarover schreef ik al onbedaarlijk veel, zij het niet uitputtend. Ik fietste het rondje van zo-even alsof het 7 januari was en zo kwam ik ook de mensen tegen die daar dan zouden fietsen en laveerde ik tussen de fantomen van scholieren die voor het eerst in 2019 de weg naar school kozen. Langs de Vecht miste ik de ooievaars. Zouden die? En had hun aan- of afwezigheid een betekenis in het stukje dat ik zou gaan schrijven, als ik thuis kwam, straks, op 7 januari een week geleden dus? Een week en een paar uur, want ik ben intussen thuis.

 

 

Vorige week, dat wil zeggen: drie weken geleden, schreef ik over een engel, maar het stukje kwam pas een week later, dus vandaag, dat wil zeggen: vorige week, op de site. Op oudjaarsdag. Dat had te maken met het feit dat de webredacteur vergeten was om het te plaatsen. En dat had weer te maken met de dood van de grootmoeder van zijn geliefde. En dat was op eerste kerstdag en dat was dus op dezelfde dag dat drie jaar geleden mijn moeder overleed. We begroeven haar toen op 31 december, op het uur dat ik dit zit te schrijven. En in plaats van cake hadden we na de uitvaart oliebollen. En zo viel de onbekende grootmoeder van de mij al even onbekende geliefde van de mij wel bekende Timen in het gat van een verscheiden moeder. Dat gat was de afgelopen decembermaand wat extra aanwezig.

Kerst en oud en nieuw hebben we al achter ons gelaten en laten we elkaar maar niet meer lastig vallen met de beste wensen. Nu bleef mijn stokoude moeder de leegte van haar verscheiden toch ver voor zich uit werpen. Daarbij kreeg zij onverwacht versterking van mijn schoonmoeder die het nieuwe jaar van 2018 inluidde met haar dood. Op de maandag waarop het Maarssense personeel in dat twaalf maanden terug nog zo verse jaar zich weer per fiets naar Utrecht begaf en Utrechtse of Oud-Zuilense leerlingen over het fietspad langs de Straatweg slingerden, reden wij in deze contreien naar het kerkhof waar zij begraven zou worden. En nu dus de onbekende moeder van de onbekende geliefde.

 

Ik kom onderweg welgeteld één witte reiger tegen. Vorige week maandag stond die op precies dezelfde plek, aan een sloot door de weilanden langs de Kooijsloot van Westbroek. Toen fietste ik daar met mijn zoon en ik vertelde hem dat die witte reiger daar al jaren zit. En anders viel hij nu samen met wie of wat daar ooit dag in dag uit als reiger stond te staan. Ik vertelde ook dat ik tien jaar geleden nog wel eens ben afgestapt om het beest te fotograferen, maar wat zou ik nu nog mijn best doen voor een witte reiger? Nu fiets ik hier alleen en denk aan de regels van Henk Ester:

 

‘de mogelijke uitkomst van

een ongekende combinatie’

 

Het verleden werpt zijn witte schaduw, de leegte voor zich uit. De oude witte vrouwen zijn bij herhaling weg. De ooievaars zijn onvindbaar en de witte reiger… De witte reiger is een gat van licht in het landschap, een vertrouwd beeld dat vraagt om een nieuwe invulling. Zoiets.

 

Lees gedicht

 

BIJGELUIDEN XLII Vermoeden [3]

 

3 Hier

 

de mogelijke uitkomst van

een ongekende combinatie

 

hier

                is alles goed te zien

                niet zoals het was

                dat komt later

 

hier

                waar op armlengte

                iedereen in alle talen

                heeft gezwegen

 

hier

                schijnt precies daar

                een plek

                uitgerekend voor de zon

 

 

Henk Ester

Henk Ester, Het vermoeden van Witten, Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2018

Submit to FacebookSubmit to Twitter