door Len Borgdorff

 

De intensivist was een engel, zei Bas. Dokter van Eijk had die avond een eindje achter hem gefietst en was er dan ook getuige van geweest hoe Bas plotseling een slinger naar links maakte om het autoportier te ontwijken dat iemand opengooide. Dat lukte, maar Bas kon niet de val voorkomen waarbij hij met zijn hoofd op een stoeprand terechtkwam en ook nog drie ribben brak. Daar weet hij allemaal niets meer van, van de man achter hem niet die onmiddellijk eerste hulp verleende, een ambulance belde en ervoor zorgde dat hij binnen de kortste keren in de juiste handen terecht zou komen. Bas heeft het alleen maar van horen zeggen. En zo heeft hij er nu nog steeds geen gezien, maar weet hij intussen zeker dat engelen bestaan en ook dat er eentje is die Dr. van Eijk heet. Of voor een korte tijd onder die naam of door de persoon met die naam het leven van Bas in schoot, om te doen wat een engel behoort te doen, en vervolgens weer huiswaarts vloog, naar sferen die ons te buiten en te boven gaan.

 

 

Lang geleden fietste ik op een ochtend door de Von Humboldtstraat. Het liep tegen Kerst en ik droomde ervan een kerstgedicht te schrijven dat zou openen met de regel ‘Hij zag zo graag een engel in de lucht.’ Het moest een rondeel worden. Die regel is het begin geworden van een hele reeks gedichten die het nooit verder hebben geschopt dan de prullenmand.

 

Maar in de Von Humboldtstraat zag ik het in gedachten voor me. Groots, veel te groot voor een brave stad als Utrecht, en veel te imposant voor zo’n  rechttoe-rechtaan straat, stormde een engel op ons af. Maar dan als gemis, want er was juist helemaal geen engel en zelfs de gedachte bleek en bleef te groot en te groots voor een gedicht.

 

In Anno Domini van Joseph Brodsky, zie ik ze nog even, indrukwekkend, maar ze vliegen huiswaarts en ik moet ze ongegrepen en onbegrepen laten gaan.

 

‘Laat ze dus huiswaarts vliegen, wolken splijten,

Luidkeels de brengers zijn van ons bericht.’

 

Engelen bestaan, maar ze luisteren niet naar de naam die je ze geeft. Je droomt ze of ze dringen zich zo overweldigend aan je op dat je je rot schrikt en als je daarvan bent hersteld zijn ze weer weg. Of je herkent ze naderhand pas omdat je ze niet op de fiets had verwacht.

 

Ik kijk naar de lucht. Die ziet er vandaag Gustave Doréachtig genoeg uit voor een kolossale engel. Ik leg mijn oor even tegen het loodgrijs van de lucht, maar bespeur zelfs niet het minste gerucht dat het begin zou kunnen zijn van wat uit kan groeien tot de storm van een reusachtige vleugelslag.

 

Ten einde raad bel ik Bas en hij herhaalt: engelen bestaan. Die van hem heette Van Eijk. Nee, het zit er niet in dat hij hem ooit zal ontmoeten, want die Van Eijk wil er niet van weten.

 

In het Engels staat er overigens ‘Therefor, let them  fly to our homeland’, het huis waar we thuishoren, waar we vandaan komen misschien, naar terugkeren? Waar we hadden moeten of kunnen zijn?

 

 

Joseph Brodsky, Kerstgedichten. Vertaling: Peter Zeeman. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1994.

 

Steven van der Gaauw ontwerpt voor Liter vier keer per jaar een kaart met daarop een literaire tekst. Deze kaarten zijn te bestellen via www.leesliter.nl

Submit to FacebookSubmit to Twitter