door Len Borgdorff, 5 december 2018

 

‘Mijn moeder zingt terwijl ze thee maakt:

Je bent niet alleen,

niet alleen zoals de steen is,

niet alleen zoals de zon elke dag ondergaat,

niet alleen zoals de wind,

niet alleen zoals honger

je bent er altijd geweest.

‘Van wie is dat lied?’ vraag ik.

‘Ik zong het en je vader vond het mooi.’

‘Maar van wie is het?’

‘Deze liedjes hebben geen vader en geen moeder. Geen kinderen en geen nageslacht. Het zijn wezen, zonder geschiedenis, zonder toekomst. Ze zijn voor altijd in ons aanwezig, maar buiten ons kunnen ze niet bestaan. Wie kan er zo leven? Alleen deze liedjes. Wij niet. Wij moeten het leven doorgeven, anders sterven we.’’

 

Ik lees het in De stem van mijn moeder, van Benali. De moeder zwijgt vooral in deze roman, maar op het eind niet meer. Dan spreekt ze en ze zingt.

 

 

Luuk zit achterin de auto. Ik breng hem naar huis. Voor het kindervervoer heb ik een speciale usb-stick met tientallen kinderliedjes. Luuk let op de stoplichten, kijkt of er niet ergens een ziekenwagen langskomt of misschien zelfs wel een brandweerauto, maar hij let ook op de muziek. Want als er een riedeltje klinkt in een liedje over het voorjaar dan zegt hij: ‘Dat klinkt net als Jingle Bells. En inderdaad, het klopt. Die knul van twee heeft gelijk! Jingle Bells maakt deel uit van zijn nog beperkte, zich gestaag uitbreidende, en vaak zelf gezongen lievelingsrepertoire. In de hal van het Spoorwegmuseum kon hij in september al bij herhaling spontaan uitbarsten in een luid ‘Jingle bells, jingle bells, jingle oddewee. Owaffa, owaffafa, innewannes open sleejee. Jingle bells, jingle bells…’ Gevoelig voor akoestiek is hij blijkbaar ook.

Ik mag hopen dat Jingle Bells niet een leven lang in zijn persoonlijke top tien blijft staan, waarin je overigens ook een Nederlands-Engelse variant van de ‘Wheels on the bus’ tegenkomt, en ‘Zat een klein zigeunermeisje huilend op een steen’.

Maar wat me ontroert is dat er liedjes bij het jongetje binnenkomen die bezit van hem nemen. Een aantal daarvan zal hem levenslang vergezellen. Liedjes die niet bestaan buiten een hoofd dat het oproept, een stem die het zingt. Alsof iets onbestaands het oor in glijdt van een jonge aardbewoner om daar, opnieuw, tot bestaan te komen, gezongen of geneuried te worden. Bij de afwas, op de fiets, bij het stofzuigen. Of als je door een bos loopt of door die lange schoolgang. Om mee te sterven bij de laatste adem en in een ander oor weer te ontstaan. Oorwurmen als ‘Heb je even voor mij’, maar ook ‘Ik wil mij gaan vertroosten’ of ‘Dido’s lament’ of een stukje Schumann.

In de achteruitkijkspiegel zit een jongetje te luisteren naar een liedje over ‘Sneeuwklokjes’, we leven muzikaal gezien nogal los van de seizoenen. Alsof ik in een halo liedjes en melodietjes om zijn hoofd zie.

‘Opa Len,’ zegt Luuk, ‘het stoplicht is rood.’

‘Ja, ja,’ zeg ik, ‘ik zie het.’ En rem nog net op tijd.

En ’s avonds lees ik dus wat de moeder zingt terwijl ze thee maakt. Dat doet zij op bladzij 230.

 

Abdelkader Benali, De stem van mijn moeder. Roman. Uitgeverij De Arbeiderspers. Amsterdam/Antwerpen 2009

Koos Meinderts, Thijs Borsten & Annette Fienieg, De liedjesalmanak. Herfst & winter. Rubinstein, Amsterdam 20142.

Submit to FacebookSubmit to Twitter