door Len Borgdorff, 28 november 2018

 

De bundel Onbreekbaar van Hans Hagen heeft wel wat van het onbreekbare kammetje waar die zijn titel aan ontleent. Ik kan het boekje zo in de zak van een colbertje laten glijden en ook de achterzak van mijn broek is geen probleem. Dat probeer ik allemaal uit. Maar dat deed ik natuurlijk omdat ik toen al bedacht had dat de dichtbundel zelf een onbreekbaar kammetje is. Het straalt nostalgie uit, maar dan digitally remastered. Met de glans van de tijd waarin ik met een vinger over de tanden van het kammetje kon gaan alsof het een tokkelinstrumentje is. En zo gaat die vinger nu langs de bladzijden, terwijl het bundeltje soepel meebuigt. En dan is de bundel in zijn eenvoudige maar affe verschijning telkens weer een bron van onverwachte vreugde. Net als bij dat kammetje vroeger. Dat draaide er dan meestal op uit dat ik er nog even mijn haar mee kamde. Niet om het te fatsoeneren, maar om het kammetje recht te doen. Nu nodigt Onbreekbaar me telkens uit om het op te pakken en erin te lezen. En ik wil nog een stukje schrijven over een gedicht. Maar welk?

 

 

Het antwoord komt binnen via een appje van Dick, het vriendje dat ook twee weken geleden in een In Poësis figureerde, ook in verband met Hagens onbreekbare kammetje.

Dick stuurt me een selfie. Er staat ook iemand anders op. Onderschrift: ‘Ra,ra, wie is dat?’

Het moet iemand zijn met wie ik op de lagere school heb gezeten. Ik reageer met een naam en blader verder in het bundeltje. Blijf steken bij ‘klas’.

 

klas

 

een schoolklas is

een kudde paarden

bovenaan de sterkste hengst

de knapste merrie

onderaan de volgers

de dromers

de dravers

en daartussen

vecht iedereen voor zijn plaats

treetje lager

treetje hoger

wie gezien wil worden

verliest zijn zinnen

wie hogerop wil

maakt kabaal

 

meestal krijg je gelijk

als de ander denkt

dat hij het zelf bedacht heeft

 

Ik kan mezelf niet goed plaatsen; ik zal er tussenin gezeten hebben.

 

Er komt een tweede appje binnen van Dick: ‘Mis. Het is Gerard.’ Ik haal de foto er weer bij, maak het gezicht groter van de nu niet langer naamloze man.

 

We zaten in de vijfde klas. Ik zat schuin achter hem. Dick en ik op de achterste bank van de derde rij, respectievelijk links en rechts, Gerard op de een na achterste van de middelste rij, links. En terwijl ik naar zijn nek keek, een pezige, sterke nek die stak uit een blauw-grijze trui, tuimelde ik in een euforische staat van genade bij het besef dat God mij niet als mug op de wereld had losgelaten, maar als mens. Ik was een mens. Waarom ik dat toen dacht en wat die nek er toe deed? Waarom het niet gebeurde als ik keek naar de knapste merrie van de klas, naar Annemarie, of naar Gerrie, ik weet het niet. Maar als ik de naam van Gerard zie, zie ik weer die nek voor me, denk ik aan de mug die ik niet ben. Maar goed, we tokkelen verder in de bundel en ik lees: ‘rekjillekkam teh tdrow neihcssim.’ O ja, dat was ook zo leuk, geheimtaal. Ik probeer deze even: trwwfprja scihm pjm zbvvjxrsvji. Dat is er nog eentje uit de tijd dat ik net geen mug meer was.

 

Zie ook In Poësis 132.

Hans Hagen, Onbreekbaar. Illustraties Deborah van der Schaaf. Querido, Amsterdam 2018.

 

PS Twee fouten vond Mente. Het stukje zelf vond ze maar gek, met die nek en zo. Maar zo is het gegaan. En zo hing alles met alles samen. Ik kan het ook niet helpen.

Submit to FacebookSubmit to Twitter