door Len Borgdorff, 7 november 2018

 

Je zegt Ispahaan en weet weer hoe onafwendbaar de dood is. De afgelopen weken bracht ik mijn tijd In Poësis al genoeg door in de omgeving van een graf, dus dat moest een volgende keer, nu dus, maar niet meer gebeuren. Om dat voornemen te onderstrepen verklaarde ik mijzelf genezen van de griep en liep ik vervolgens met verende tred door de duinen van Wijk aan Zee naar Egmond, ook aan Zee. Aan de start, ik schreef er elders over,  stond al een hond, in dit geval een oude labrador van een kapper die ook koffie schonk en van wie het oude bruine beest mocht rondsjokken op de stoep voor het pand. Wij dronken er onze koffie, mijn zwager en ik en begonnen even later onze wandeling.

 

 

En daar was Ispahaan, waarvan Van Eyck schrijft in De tuinman en de dood:

Vanmiddag - lang reeds was hij heengespoed -
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

 

Lees gedicht

 

 

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!' -

Van middag - lang reeds was hij heengespoed -
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

P.N. van Eyck

We hadden bij de Bloemberg rechtdoor kunnen lopen, maar ik zag een hekwerk, half verscholen achter een duin, nog geen twintig meter van het pad. Het was een graf. Dus toch, dacht ik, je kunt dus gewoon begraven worden in de duinen. Zoiets had ik namelijk wel eens bedacht, ooit, wandelend van de camping naar het strand, ter hoogte van De Cocksdorp, zo’n dertig jaar geleden.

Er stond een bordje bij het graf, waarvan me voor ik begon te lezen, al twee lange adellijke namen opvielen. Daar had je het al: om in de duinen begraven te liggen moest je ooit door Duitsers gefusilleerd zijn, zo was bij een vorige wandeling langs de kust al duidelijk geworden, of je moest van adel wezen.

En toen pas begon ik dus echt te lezen en werd me duidelijk dat dit kloeke monument het graf was van twee honden, Arthur en Fifine, eens de dierbare jachthonden van Jan Hendrik van Boelens van der Haer, tot 1908 eigenaar van dit gebied. Weg waren mijn gedachten aan een eigen laatste rustplaats, want ik moest denken aan Spleen, dat gedicht van Bomans, dat niet van Bomans is, maar van Michel van Plas, maar ook weer niet helemaal van Michel van der Plas, maar van Friedrich Torberg.

Spleen

 

Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemlijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.

 

Intussen hadden we Arthur en Fifine weinig te bieden. Ze waren dan wel samen maar van spelen zou het niet meer komen. Ik dacht weer even aan de hond in Wijk, die niet meer los de stoep op mocht. Hier in de duinen hadden die honden ook geen vrijheid meer, vanwege loslopende paarden, Schotse Hooglanders en wandelaars die proberen de griep uit hun lijf te stappen. En als ze dood waren, kwam er een stevige plaat op hun buik te liggen met daaromheen een hoog hek, onverbiddelijk als de dood zelf.

Heel lang geleden heb ik wel eens geluncht met Michel van der Plas. Toen vertelde hij dat Spleen niet van Bomans was, maar van hem, een grapje van het moment waar de tijd mee aan de haal ging waardoor het geen grapje meer was. Achteraf had hij liever zijn eigen naam aan het gedichtje verbonden. Maar dat hij zijn gedichtje had ontleend aan de lange Ballade der grossen Müdigkeit van Friedrich Torberg, vertelde hij er niet bij. We hadden kroket op brood, herinner ik me nog, en rosbief was er en we hadden soep.

Pas later toen ook Van der Plas er al niet meer was, las ik over Torberg.

We lopen verder, zwager Aat en ik. Twee sjokkende honden zijn we. Nee, we vervelen ons niet, en zijn nog lang niet dood, al voel ik wel de griep steeds irritanter knagen aan mijn gewrichten en wil mijn rug steeds minder recht en mijn hoofd is zwaar van duinzand met daarin twee forse krengen van honden, ooit zo geliefd door hun ook al heel lang dode baas Jan Hendrik van Boelens van der Haer, met a e.

 

Over de hond in Wijk aan Zee: http://www.lenborgdorff.nl/wandel.htm.

P.N. van Eyck, De tuinman en de dood. De Prom, Baarn 1992

Michel van der Plas [samenstelling], Ongerijmde rijmen […]. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 19602.

Intussen ontdek ik nog veel meer over Spleen.

Graag verwijs ik naar Jan Dirk Snel: https://jandirksnel.wordpress.com/2013/07/23/twee-hondjes-over-een-rijmpje-van-michel-van-der-plas/. Het stuk is al vijf jaar oud, maar er wordt tot op de dag van vandaag op gereageerd. Aanbevolen.

Submit to FacebookSubmit to Twitter