door Len Borgdorff, 15 oktober 2018

 

Keek ik schielijk opzij, dan zag ik telkens dat het gezicht van Mente weer wat grauwer was. Ik nam de bochten al zo voorzichtig, maar je kwam nu eenmaal niet straffeloos de Dordogne uit, in 1981 nog niet.

De afleidende praatjes van mijn moeder achterin waren opgehouden. Ook zij was intussen misselijk geworden blijkbaar.

´Stop,´ zei Mente op het moment dat ik toevallig net even de slingerende weg af kon. Dat ging zo abrupt dat de schok van Mente traploos overging in een openslaand portier, gevolgd door een zijwaartse beweging, twee drie stappen met voorover geknakt hoofd, decent van ons afgewend, waaruit een golf van ongerechtigheid over het steenslag in de berm stroomde. Mente. Mijn moeder stond al naast haar. Niet om te helpen, maar in een vergeefse poging om haar voorbeeld te volgen. De komende moeder en de verse weduwe.

 

 

De gloednieuwe auto bleef schoon. Dat zou mijn vader deugd gedaan hebben. Het was zijn auto, maar hij was kort daarvoor overleden en na de begrafenis hadden wij tegen mijn moeder gezegd dat ze maar met ons mee moest: kamperen in de Dordogne, in een tentje. Dat had ze nog nooit gedaan, kamperen en ze was de zestig al voorbij. ‘Waarom ook niet? Jullie zijn toch al gehandicapt.’ Ze knikte naar Mentes buik waaruit een paar maanden later onze eerste zoon tevoorschijn zou komen. Nu waren het nog schepen die elkaar passeerden in de nacht en die nacht was ik: geen zoon meer zijn, geen vader hebben én nog geen zoon hebben en geen vader zijn.

 

Voorbij Limoges zou het leed geleden zijn, wist ik, maar zover waren we nog niet. Nu moesten we nog verder, over voor gevoelige dames al te kronkelige wegen. Een beetje een fietser zou me hebben kunnen inhalen, toen. Met elke 100 meter leek er een slinger van 200 aan onze route te worden toegevoegd.

En toen, toen opeens overweldigde mij het besef dat ik ten diepste een kustbewoner ben. Ik wilde dat zich zout afzette op de haartjes in mijn neus en op mijn lippen. Dat die ziekmakende, wentelende heuvels en dat kurkentrekkende asfalt zouden verdwijnen, oplossen, plaatsmaken voor een wereld van horizon, van land dat oploste in water, water dat verzandde. Water, land of niet, vader, zoon of niet. Begin dat onbegonnen begint, eind dat zich voortijdig terugtrekt, met uitzicht op een verte waar water en lucht het ook zo goed niet meer weten.

Nee, mijn wagenzieke passagiers heb ik daar toen niet mee lastig gevallen. Nu moet ik er weer aan denken. Dat komt door ‘Laten we drinken’ van Wim Hofman.

 

‘Op de zee die uitzinnig uit zichzelf
tevoorschijn schiet en
daarna zichzelf weer gulzig opdrinkt. Laten we
drinken.’

 

Maar ook omdat mijn moeder deze week honderd geworden zou zijn en omdat het verborgen scheepje van toen onlangs opnieuw vader werd.

 

Wim Hofman, Laat ons drinken. Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2013.

 

* Het citaat komt uit het titelgedicht van deze bundel. Omdat het gedicht zes pagina’s telt, is ervan afgezien dit integraal te plaatsen.

** De foto is een deel van het prachtige omslag van de bundel, waarop een hebberig makend ‘zeetje’, ook al van Wim Hofman.

Submit to FacebookSubmit to Twitter