door Len Borgdorff, 12 september 2018

 

We schrijven een woensdag in 1993. Om twee uur heb ik een vergadering in Culemborg. Als ik om elf uur van achter mijn bureau zie hoe er een prachtige voorjaarszon boven Utrecht staat, bedenk ik: ik ga nu en ik neem de fiets.  

Ik fiets even langs huis voor fietskleren en stop mijn werkkloffie in een fietstas om met een ruime omweg op mijn gemak naar de afspraak in Culemborg te fietsen.

 

 

Van de vergadering die dag weet ik natuurlijk niets meer, van die fietstocht des te meer. Vooral het geluksgevoel is me bijgebleven. Sterker nog: dat bleef vanaf toen bijna op afroep beschikbaar. Dat heeft alles te maken met de regel die toen op die fietstocht onsterfelijk voor me werd:

 

Daar waar je niets bent, daar is het geluk.

 

In de Utrechtse Lange Nieuwstraat hing die regel als een rebus aan de gevel van het Woudagebouw: met tekeningetjes van onder andere een fiets, een tent en een pet, om me te beperken tot mij zeer dierbare attributen. Het is een onvergetelijk kunstwerk van Korrie Besems.

 

Intussen reed ik daar, anoniem, voor mijn gevoel van niets naar nergens, en niemand die kon weten waar ik was, behalve dan de mensen die mij toevallig zagen fietsen, maar juist voor hen was ik niets en niemand.

 

Nog jarenlang keek ik naar de rebus in de Lange Nieuwstraat. Er was een korenaar afgebeeld, met daaronder D+, dan een taart, waaronder T=W en –T, volgde JE, daarna de fiets, onder de tent stond T=B, volgde het woordje DAAR, kwam de vis met –V, dan de pet en P=T en ten slotte geld met als onderschrift D=UK. Prachtig, vooral als het donker was, want de rebus was in neonverlichting uitgevoerd. Dus ’s avonds of ’s nachts zag je het beter. Misschien duurde het daarom zo lang voor ik in de gaten had dat er onder de fiets niet alleen F=N stond, maar ook –S. Er stond: waar je níet bent, geen níets, maar níet. Het motto voor mijn geluk was een geval van verkeerd lezen!

 

Op een gebouw van een psychiatrische inrichting, want dat was het Woudagebouw,  is dat bepaald geen bemoedigende opmerking.

 

Van het gedicht waarvan deze regel de afsluiting is word je ook niet vrolijk:

 

Im Geisterhauch tönt's mir zurück,
"Dort, wo du nicht bist, ist das Glück."

 

Lees gedicht

 

Der Wanderer

Ich komme vom Gebirge her,
Es dampft das Tal, es braust das Meer,
Ich wandle still, bin wenig froh,
Und immer fragt der Seufzer, wo?

Die Sonne dünkt mich hier so kalt,
Die Blüte welk, das Leben alt,
Und was sie reden, leerer Schall,
Ich bin ein Fremdling überall.

Wo bist du, mein geliebtes Land,
Gesucht, geahnt, und nie gekannt?
Das Land, das Land so hoffnungsgrün,
Das Land, wo meine Rosen blühn;

Wo meine Freunde wandelnd [gehen]1,
Wo meine Toten [auferstehen]2,
Das Land, das meine Sprache spricht,
[Das teure Land -- hier ist es nicht. --]3

Ich wandle still, bin wenig froh,
Und immer fragt der Seufzer, wo?
Im Geisterhauch tönt's mir zurück,
"Dort, wo du nicht bist, ist das Glück."

Georg Philipp Schmidt von Lübeck

Gisteravond maakte ik Koos en Annette deelgenoot van mijn vergissing. Koos moest meteen denken aan een regel die telkens terugkeert in Het Leed Versierd van het Klein Orkest:

Vreemd dat ze altijd ergens wil zijn, waar ze niet is.

Ook al een tekst om bepaald niet vrolijk van te worden.

 

Lees gedicht

Het leed versierd

Ze lalt en ze valt, 
Als ze te veel gedronken heeft, 
Geeft ze alles wat ze heeft, 
Aan iemand die vraagt

Zo lang al zo bang, 
Om helemaal alleen te leven, 
Blijft ze fantasieën weven tot diep in de nacht. 

Ze kijkt tv, ze drinkt thee, 
Ze leest brieven, ze draait platen, 
Schrikt als ze zichzelf hoort praten en niemand haar hoort. 

Dan doet ze de lichten uit en controleert het gas 
En als vanzelf glijdt haar jas over haar schouders heen. 
Altijd op jacht, gedreven door angst dat ze kansen mist, 
Vreemd dat ze altijd ergens wil zijn, waar ze niet is. 

Ze zit alleen, kijkt om zich heen, 
Schrikt als iemand haar iets vraagt, 
Gesprekken saai en afgezaagd: waar ken ik je van? 

Ze praat en verraadt, 
Dat ze iemand wil vertrouwen, 
Stomweg van iets wil gaan houden: heb jij thuis nog drank? 

Dan staat ze op en rekent af 
En als vanzelf glijdt haar jas over haar schouders heen. 
Altijd op jacht, gedreven door angst dat ze kansen mist, 
Vreemd dat ze altijd ergens wil zijn, waar ze niet is. 

Ref. 
Eenzaam tussen duizend vrienden, 
Duizend vrienden toch alleen! 
Eenzaam tussen duizend vrienden, 
Duizend vrienden... toch alleen! 

Ze kijkt en het lijkt, 
Als of het dit keer anders is, 
Omdat hij lief verstandig is, wil jij er nog een? 

En dan lalt ze en valt ze, 
Als ze te veel gedronken heeft, 
Het lijkt alsof ze nu pas leeft, blijf maar slapen vannacht! 

En 's morgens schrikt ze van iemand die naast haar ligt, 
Kijkt met haar ogen dicht naar de film van haar leven. 
Ze zoekt tussen scenes die ze vertraagd langs haar netvlies laat gaan 
En de mooiste herinnering wil ze voor eeuwig stil laten staan. 

Ref. 
Eenzaam tussen duizend vrienden, 
Duizend vrienden toch alleen! 
Eenzaam tussen duizend vrienden, 
Duizend vrienden... toch alleen!Altijd op jacht, gedreven door angst dat ze kansen mist, 
Vreemd dat ze altijd ergens wil zijn, waar ze niet is.

Harrie Jekkers

 

Ter vertroosting zei Koos dat hij mijn vergissing mooier vindt. Die laat ik me dan ook niet afnemen: we lezen gewoon wat er niet staat*.

Op de plaats van het Woudagebouw staat nu een appartementencomplex, de weergaloze rebus van Korrie Besems is ergens opgeslagen. Van mij moet hij zo snel mogelijk weer ergens worden aangebracht, graag op een prominente plaats in Utrecht. Alleen dat ‘-S’ bij de fiets, dat mogen ze weglaten. Daar wordt de mensheid gelukkiger van.

* Dit is een verminking van een regel uit het gedicht Awater van Martinus Nijhoff.

 

De tekst van Der Wanderer is onder andere te lezen op http://www.liederennederlandsvertaald.nl/schubert/goerne/d493-der_wanderer.html

 

Een uitvoering van het lied dat Schubert op deze tekst baseerde:

 

Het leed versierd is het titelnummer van een album van het Klein Orkest, Het leed versierd, 1982.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter