door Len Borgdorff, 4 september 2018

 

Het is me de afgelopen maand drie keer overkomen dat ik midden op de dag op een grasveldje in slaap viel. Aangename momenten waren dat. Hoewel ik betwijfel of het bij Marieke Rijneveld allemaal zo liefelijk is 'als je iemand te slapen legt in het gras' vat ik die uitspraak toch maar luchtig op.

 

Vijfentwintig jaar geleden, op een zaterdag in mei, vierden we de zilveren bruiloft van mijn zus en zwager. Dat gebeurde op de Hoge Veluwe. Een substantieel deel van die dag is toen volkomen langs me heen gegaan doordat ik direct na de lunch, nog voor het boeiende middagprogramma, op het wijde groen en met mijn hoofd in de schoot van mijn geliefde in een slaap terechtkwam waar men mij tegen het avondeten pas weer uit kreeg. Het hele gezelschap stond toen om me heen. Van die middag herinner ik me niets, maar wel een memorabel zalig niets.

Dat was niet in de eerste plaats omdat ik daar languit in het gras, geen last had van over de rand van het bed stekende voeten, ook niet omdat mijn hoofd zo’n aangename plek had gevonden, wat dus wel zo was, maar vooral dat heerlijke niets. Het aangename niets lijkt nog het meest op een geur.

 

 

Het was ook niet een vermeend naakt liggen in het gras zoals je dat leest aan het slot van Nijhoffs Het Veer:

 

[…] een zoet landschap waar men baadt en waar
men na het bad naakt inslaapt in het gras.

 

Dit was meer, dit was de naaktheid of het wat gefrustreerde verlangen daarnaar voorbij. Voor minder doen we het niet. Tegelijkertijd, en nu pak ik het gedicht van Rijneveld er weer bij, begrijp ik dat je iemand neerlegt in het gras als die dood is, waarbij het hinderlijke van die voeten die buiten de rand van het bed steken passé is, wat op zich wel prettig is. Al is dat nog altijd minder erg dan opstaande bedranden.

 

Er is een foto van mijn ouders, met mijn oom, tante en door de vergetelheid opgeslokte vrienden, half liggend in het hoge gras. Ze liggen er decent en kuis en gelukkig bij en zij kijken in de lens.

 

Dat was in 1945. Nu zijn ze dood. We hebben ze onder het gras gelegd, niet naast maar boven elkaar. Alles is rond, zoals Rijneveld zegt.

 

Lees gedicht

 

Als alles rond is

 

Wat we niet kunnen zeggen, schikken we met bloemstukken

steken koolzaadplanten op de plekken waar we leegte verwachten

 

als je iemand te slapen legt in het gras, heb je nooit last

van voeten die buiten de bedrand steken. Ik zie hoe je door

 

het weiland loopt met je trui binnenstebuiten, truien net

conversaties, ik begin graag met de keerzijde van een aanzoek:

 

als we doodgaan, wil jij dan aan de rechter- of de linkerzijde van mij

komen te liggen? Meestal wil je aan de kant van de uitgang maar dit

 

keer haal je je schouders op en ik denk nog: we moeten toch alles

rond maken om een begin van een einde te onderscheiden?

 

Met een visnet vangen we meerkikkers, stoppen ze in een voeremmer

en proberen ernaar te kijken zoals we deden toen we tien jaar, nog dachten

 

dat kikkers overleden componisten waren. In het gras lig het karkas van een’

rat, we lachen erom en gaan ernaast liggen met onze handen tot uilengeroep

 

gevouwen, kijken toe hoe de kringloop om ons heen zich vormt als een biedermeier

en vragen ons af wie ons te slapen legt als we elkaar niet meer hebben

 

wie de waslabels aan de buitenkant voordraagt met gedragen stem

en dan al die bloemstukken, verdord en op ieder plekje waar we samen stil en lief hadden.

 

Marieke Lucas Rijneveld

Op het gras of eronder. Als alles rond is, is het allemaal goed: voor verliefden die gedoemd zijn het te verliezen van de tijd, voor slapers die ontwaken, even iets opschrijven en weten dat straks alles rond is en zij onder het gras op het gras liggen.

 

Marieke Lucas Rijneveld, Kalfsvlies. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen 20188

 

Martinus Nijhoff, Het Veer. In: Verzameld werk I. Gedichten. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1982

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter