door Menno van der Beek, 29 augustus 2018

 

Toevallig houd ik van gedichten met een herkenbare vorm: van min of meer symmetrisch opgezette gedichten die je ingelijst aan de muur kunt hangen omdat ze het papier mooi evenwichtig vullen. Zodat bij mij thuis een gedicht van Henk Knol aan de muur hangt, vier coupletten en een slotregel, samen een kleine vertelling. Knol is geen man van de stampende ritmes en de precieze rijmen, en tegelijk is de taal strakgetrokken en in een paar qua regellengte gebalanceerde coupletten gepast, waar ze helemaal op spanning gaat staan. Een soort logische evolutie, die vrije en toch gebonden vorm, de synthese van de sonnettenkunst tot aan Gerrit Achterberg en de losgezongen regels van de Vijftigers daarna. Remco Campert is dan wel net uitgedicht, zoals hij zelf aangaf, maar van hem is de regel ‘Het sonnet, dat kan niks wezen’. Niet waar, maar het hielp de dichtkunst wel vooruit.

 

 

Als je dan in 2018 debuteert, Antilliaans en Nederlands bent, dan kun je kijken of je met die min of meer overzichtelijke vormen aan de gang kunt, maar je kunt ook de pen vrijlaten en vrij associërend, opsommend, overdonderend, soms schreeuwend, soms ratelend en dan weer in korte, komische mededelingen je verhaal doen. Zoals Radna Fabias doet, in Habitus.

 

Neem ‘reisgids IV’, uit de eerste van de drie afdelingen van de bundel, ‘Uitzicht met kokosnoot’, waarin de Antillen schitteren en ruiken: ‘voor een paar gulden kunt u ook / de fictie van de Caraïbische zorgeloosheid kopen / bij een zwarte man die een discreet soort cynisme beheerst zo discreet / dat u het eerst niet herkent en hij / misschien ook niet ‘. Qua lay-out inderdaad niet handig voor aan de muur, maar het is sterk verteld.

 

Of neem, uit dezelfde afdeling, het slot van de anderhalve pagina die het gedicht ‘kapitaal’ beslaat: ‘brand salie / spring op oudejaarsavond drie keer heen en weer over hete kolen waar je wierook op strooit / offer dan ook vuurwerk aan de boze geesten zodat ze je de rest van het jaar met rust laten / eet precies om middernacht twaalf druiven: één voor elke maand van het jaar / (het is niet duidelijk wat het oplevert, maar je kunt het beter niet laten) /als je deze instructies niet deelt is er een reële kans dat je kinderen binnen vier maanden zullen sterven / als je geen kinderen hebt je geliefde / als je geen geliefde hebt je ouders / als je geen ouders hebt jij zelf’

 

Van de poëzie, als tegenover het proza, is overgebleven dat de dichter bepaalt wanneer de regel wordt afgebroken, en dat de lezer op een associatieve benadering van het onderwerp mag rekenen. Het heeft steeds minder met het sonnet te maken, maar dat is misschien ook niet gek. Deze vorm geeft Fabias de kans om prachtige sprongen te maken, alles aan alles te hangen en een warme inkijk in haar achtergrond, haar hoofd en haar gedachtewereld te bieden, men verveelt zich geen moment, en er komen heel wat prachtige regels langs. Tegelijk zou ik haar graag ook eens een sonnettenkrans zien schrijven, nu ze nog bol staat van de ideeën en de taal als een ontembaar paard onder haar steigert, zoveel talent in een strakke vorm geperst, dat moet ook prachtig worden. Maar misschien is dat te nostalgisch en oud-Europeesch gedacht.

 

Het gedicht ‘vader’ dan, dat is een heel ander vaatje: twee regels maar, helemaal onder aan de pagina: ‘En de oude man ging naar de zee en de oude man ving niks meer en de oude man vond / daar zijn nietigheid’, een precieze samenvatting in drieëntwintig woorden van Hemingway’s proza-meesterwerk De oude man en de zee, en tegelijk een geestige regel en een karakterisering van en man, die ik gelijk voor me zie. Fabias durft en probeert van alles, en het meeste lukt.

 

In de tweede afdeling, ‘Rib’, staat het gedicht ‘gieser wildeman’, waarvan hier het begin:

 

‘gieser wildeman is een stoofpeer / ik ben een vrouw / dat is het dak van een drie eeuwen oud huis / ik ben een vrouw / dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas / het vocht en de perzik en elk ander handzaam, zacht, zoet, sappig fruit want ik ben een / vrouw en dat is het brilmontuur van een man van gemiddelde intelligentie, maar ik / ben een vrouw en in mijzelf genoeg / er is geen leegte in mij / er is wel een schuilplaats een voorkamer en wachtruimte een plek / waar ik iemand kan ontvangen: / een man / het begin van een kind / de vingers van een vrouw /toch heb ik aan mijzelf genoeg het maakt niet uit ‘. Knap verteld en aan elkaar geregen, het rijmt misschien niet, maar, zoals de dichter elders in het boek zegt, ‘de lichten gaan uit dus dit is een film’, dit is een gedicht omdat het uit de vingers van deze zangeres komt. En het is een gedicht dat je dan toch zou willen proberen ergens aan de muur te hangen.

 

Nog even over de vormgeving: het is een prachtig boekje geworden. Steven van der Gaauw heeft buiten- en binnenkant vormgegeven, dus het ziet er strak uit, mooie zwarte schutbladen en een fraai gedistribueerd naar het bruin neigend lettertje. Voor de omslag is gekozen om er vier ronde gaten in aan te brengen, van verschillend formaat, verbeeldende de habitat, de veilige plek waar de schrijfster zo naar op zoek is. Mooi gevonden. Tegelijk weet ik dat als ik deze dame tussen de dichtbundels op mijn boekenplank schuif – ga ik zeker doen – en dan over een maand of wat Favery uit de rij trek – daar zal ze naast staan, denk ik, alfabetisch – dat ik dan het risico loop met Favery het kaft van Fabias kapot te trekken. Heb je altijd, met dit soort vondsten. Dat zal ik dan jammer vinden, want het was een intensieve leeservaring, deze bundel, met sterke verhalen en lastig te vergeten regels, waar ik vast soms nog naar op zoek moet. Deze bijvoorbeeld, gelijk maar even genoteerd voor een vriend, nummer 3 uit ‘25 scenes waarin ik het geval niet had’:

 

Mijn contactadvertentie is tot de kern gereduceerd:

vr. wenst te lachen

ha ha

 

Radna Fabias, Habitus. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 2018. 120 blz., €19.99.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter