door Len Borgdorff, 7 augustus 2018

 

Omdat we onze keuken, onze slaapkamers, dak, zitgelegenheid en nog het een en ander met ons mee voeren, zijn onze fietsen zwaar beladen. Dat weerhoudt ons ervan om al te makkelijk ergens af te stappen, ook al omdat we wel onze dagelijkse kilometers willen maken.

 

 

Zo fietsen we door een zonovergoten Normandië als ik plotseling een bord zie met de mededeling dat we op 500 meter het huis passeren waar ooit Jacques Prévert woonde.

‘Hier heeft Jacques Prévert gewoond!’ roep ik naar voren, maar Henk hoort me blijkbaar niet. Ik stop nog wel even voor een miezerige foto, misschien als een al even miezerig eerbetoon, maar ook als een hint voor later, om er samen met mijn geliefde langs te gaan. Je weet maar nooit.

 

Het komt er niet van om Henk in te halen. Prévert houdt me bezig. Veel weet ik niet van hem, en al helemaal niet dat hij hier heeft gewoond. Ik plaatste hem van krib tot kist in een huis, drie- of vierhoog achter, ergens in een smalle straat in Parijs, zo’n straat waar het opvallend vaak miezert en waar de wereld monochroom is. Maar nu blijkt hij ook geleefd te hebben onder een strakblauwe lucht in een omgeving van warme zandkleuren en overal luid bloeiende hortensia’s, stokrozen en ander fraai gewas.

 

Ooit, was het in de derde klas?, moest ik Déjeuner au matin uit het hoofd leren.

 

Lees gedicht

 

Déjeuner au matin

 

Il a mis le café 

Dans la tasse 

Il a mis le lait 

Dans la tasse de café 

Il a mis le sucre 

Dans le café au lait 

Avec la petite cuillère

Il a tourné 

Il a bu le café au lait 

Et il a reposé la tasse 

Sans me parler

Il a allumé 

Une cigarette 

Il a fait des ronds 

Avec la fumée 

Il a mis les cendres 

Dans le cendrier 

Sans me parler 

Sans me regarder

Il s’est levé 

Il a mis 

Son chapeau sur sa tête 

Il a mis son manteau de pluie 

Parce qu’il pleuvait 

Et il est parti 

Sous la pluie 

Sans une parole 

Sans me regarder

Et moi j’ai pris 

Ma tête dans ma main 

Et j’ai pleuré

 

Jacques Prévert

 

Hoewel het tussen mijn ouders lang niet altijd boterde, kon ik me deze beklemmende situatie niet voorstellen. Bovendien droeg mijn vader al in de jaren vijftig geen hoed meer en hij rookte sigaren. Maar om de een of andere reden hakte het gedicht op me in. Ik was toch al allerminst zeker van een zonnige toekomst, met al die oorlog en honger in de wereld, de dreiging dat wij ooit geregeerd zouden worden door nieuwe, veel minder ontwapenende Dagobert Ducks die ons met computers en camera’s zouden controleren en wonderlijk genoeg paste daar dit benauwende beeld van nakend huiselijk ongeluk heel goed bij.

 

Ik probeer het gedicht nog een keer, terwijl de afstand tussen Henk en mij alleen maar groter wordt. Er is minder van blijven hangen dan ik had gedacht.

 

Maar goed, in 1970, op zijn zeventigste, kocht Prévert hier dus een huis, een hoekje in het paradijs, zoals hij het noemde, heel wat anders dan de somberheid van de wereld van Déjeuner du matin, uit 1946.

1970? In die tijd kende ik het gedicht wél uit mijn hoofd, bedenk ik.

 

Ik zie dat Henk is afgestapt. Hij loopt met een thermoskannetje koffie naar een bankje. Het leven is goed. Uit zijn voortas haalt hij twee chaussons aux pommes tevoorschijn. Nog geen uur oud en heel voorzichtig vervoerd.

 

Jacques Prévert, Paroles. Folio, Saint-Amand (Cher) 1996.

Submit to FacebookSubmit to Twitter