door Len Borgdorff, 31 juli 2018

 

Op bladzij 43, bijna halverwege, van de bundel Trouwservies ligt een kaart met deze tekst, een versregel uit het gedicht Goede raad. Die goede raad zal komen van de ik die in dit gedicht met zijn zoon praat. Een gemankeerd gesprek, want de zoon zegt niets. En of hij zich iets zal aantrekken van de paternale goede raad? Het kan bijna niet anders omdat het gedicht vrolijk eindigt met de mededeling om niet naar de adviezen te luisteren.

 

 

Lees gedicht

 

Goede raad

 

Je wilt dus goede raad? Ik ben altijd gek

geweest op je moeder dus heb je met vreugde

verwekt, maar of die daad iets garandeert?

 

En het is helemaal de vraag of ik in dit

groene dal vol dorre beenderen (‘bekleed hen

weder met vlees en zenuwen’) veel heb geleerd.

 

Bidden helpt niet echt. En nu ik toch bezig

ben: pleng nooit andermans zilveren tranen.

Ook: verander geregeld van mening, heb geen

 

verstand van politiek en niet te veel van kunst

(mijn kijk was nooit veel soeps). Minacht

het postmodernisme: het heeft geen kloten.

 

Wees een heiden van het heden: waarom

zou je van Claus moeten houden? Wantrouw

de natuur: beter is het in een park te vertoeven.

 

Dat was het zowat. Laatst las ik een gezegde

van de Zoeloes: een mens wordt een mens

door andere mensen, umuntu ngumuntu ngabantu.

 

Jochie, kijk uit voor het rijm dat bedwelmt!

En wat vrouwen betreft: ik heb het blauw

in de ogen, het goud in het haar van je moeder

 

de vrouw altijd uitstekend begrepen en ben

haar schoonheid desalniettemin ontrouw

geweest. Hang dus maar niet aan mijn lippen.

 

Benno Barnard

We gaan terug naar de tekst op de kaart en doen alsof er niet een heel gedicht omheen staat.

In Europa kom ik nergens natuur tegen, niet als die tegenover een park wordt gesteld. Zelfs wat als oerbos wordt aangeduid is resultaat van menselijk bedrijf. En toch!

Vorige week zaterdag reden mijn broer en ik terug van een Haags kerkhof naar het kerkhof van Monster om op beide plekken onze nazatelijke plicht te vervullen door hier en daar een bloemetje bij een graf te plaatsen. We reden Ockenburg voorbij, dat parkachtige bos waar ik als kind zelden kwam, maar toch vaak genoeg om te weten dat het er zoveel aangenamer was dan in het naastgelegen Ockenrode. Ockenburg was zondagmiddag kuieren, even zitten op een bankje, en genieten van doorkijkjes langs beukenstammen en rododendronstruiken waardoor je in alle beslotenheid toch iets van weidsheid gewaar werd. Voor de herfsttafel op school was het ook verstandiger om naar Ockenburg te gaan, vanwege de beukennootjes en elfenbankjes.

Dan Ockenrode. Het bos was er woest, en verre van ledig. Je moest er altijd snel lopen om niet belaagd te worden door rode mieren en altijd striemde er wel een tak in je gezicht of trok de doorn van een braamstruik een stevig rode haal over je arm. Ockenrode deed je met lange pijpen, lange mouwen en dichte schoenen.

In het Ockenrode uit de jaren vijftig en zestig kwam je zelden iemand tegen. Je moest een kaart hebben om er in te mogen en wat had je er anders te zoeken of te vinden dan bijtend mierenzuur, infernale braamstruiken, brandend zand, ondoorgrondelijke wegen en die verschrikkelijke kuil met in het midden restanten van een bom uit de Tweede Wereldoorlog, verschrikkelijk, zeg ik, omdat een kind niet anders kan dan in zo’n kuil te springen, de lugubere diepte in. Twee keer leverde me dat een verstuikte enkel op, een keertje links en een keertje rechts. Ruik ik azijn, dan denk ik aan Ockenrode, en dat vanwege het in azijn gedrenkte verband waarmee ik enkele dagen met mijn voet omhoog moest blijven zitten. Wel in de gemakkelijke stoel van mijn vader. Dat wel.

Maar wij, de Borgdorffjes, waren van Ockenrode, zoals we met ons zitten op de harde banken van de gereformeerde kerk meenden God te dienen in een kerk die iets waarder was dan andere kerken. Zo zochten wij ons heil in de woestenij van Ockenrode.

Maar Ockenrode is natuurlijk in aanleg ook een landgoed, een industrieel park waar vijfhonderd jaar geleden eikenbosjes werden gekweekt om in de behoefte aan hakhout te voorzien, toen men nog niet op het idee was gekomen daarvoor turf te gebruiken. Een productiebos dus. Een industrieel park.

‘Ik ben er in geen vijfenveertig jaar geweest,’ zei mijn broer. Ik keerde de auto en reed het bos in. We hebben het allemaal weer gezien. Hij droeg dichte schoenen, ik slippers die steeds van mijn voeten gleden. Volgens mij liepen er nog meer mieren dan toen, maar ze waren me niet vergeten. ‘Len, Len, Len!’ riepen ze en ze holden dolenthousiast op me af.

 

Benno Barnard, Het trouwservies. Gedichten. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2017

 

Steven van der Gaauw ontwerpt voor Liter vier keer per jaar een kaart met daarop een literaire tekst. Deze kaarten zijn te bestellen via www.leesliter.nl

Submit to FacebookSubmit to Twitter