door Len Borgdorff, 16 juli 2018

 

Mijn moeder begon er pas op hoge leeftijd aan om het leven los te laten, en dat tegen wil en dank. Toen er een paar dagen voor haar dood een dominee bij haar bed kwam zitten, verontschuldigde ze zich voor haar weinig gastvrouwelijk gedrag, maar, zei ze, ze voelde zich de laatste dagen niet zo lekker, daarom bleef ze maar wat in bed liggen ‘lummelen’. Daarna zakte ze weer weg.

Maar toen de dominee begonnen was om hardop een psalm te lezen was ze er weer bij.

‘Wat doet u nu?’ vroeg ze.

‘Ik lees een psalm, mevrouw.’

‘Maar u denkt toch niet dat ik bezig ben dood te gaan. Nee hoor, gaat u maar weg.’

Ze liet het leven niet los. Het leven liet haar vallen.

 

 

 

Een paar maanden daarvoor, toen ze nog op haar bankje zat, vroeg ik haar met het oog op haar 97ste verjaardag of zij wel eens bezig was met de dood. Wat ze zich daarbij voorstelde. Ze lachte en keek me aan.

‘Ik lag in bed,’ zei ze, ‘en toen kwam jij stiekem de slaapkamer in. Je deed de linnenkast open en wipte achter de stapels lakens en ondergoed zo de sinterklaascadeautjes tevoorschijn die ik daar verstopt had. Daar ging je dan mee zitten spelen. Ik zag je wel, maar deed alsof ik sliep.’

 

Dat was het gesprek over haar dood. Niet alleen was het geen antwoord op mijn vraag, het verhaal klopte ook niet. Toch zag ik die linnenkast weer voor me. Ik rook hem ook en voelde in mijn handen hoe ik planken beklom om zelfs bij de verste hoek te komen.

 

Die linnenkast zwaait, een paar jaar na moeders bespiegelingen over de dood, weer voor me open als bij de nazit van een uitvaart van een andere moeder Marianne me vertelt van de dood van haar moeder.

‘We zochen papieren om de boel te regelen en keken allereerst in de linnenkast. Op ooghoogte, tegen de achterwand, had mijn moeder een briefje geplakt.

‘Jullie zoeken waarschijnlijk het trouwboekje. Dat ligt niet hier. Je vindt het ….’

Waar het wel lag, weet ik niet, ik was al in lachen uitgebarsten.

 

Op de fiets naar huis zocht ik naar briefjes met famous last words. ‘De laatste brief’ van Bertus Aafjes? Van die soldaat bij wie men een brief vindt met de woorden ‘Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.’

 

Lees gedicht

 

de laatste brief

 

De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas
Hij droomde lachend dat het vrede was
Omdat in zijn droom een klok ging luiden.

Er viel een vogel die geen vogel was
Niet ver van hem tussen de kruiden
En hij werd niet meer wakker want het gras
Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.

Het regende en woei. Toen het herbegon
Achter de grijze lijn der horizon
Het bulderen – goedmoedig – der kannonnen

Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef
Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef
Liefste, de oorlog is nog niet begonnen.

 

Bertus Aafjes

Ik dacht aan de Uitvreter van Nescio. Geen poëzie misschien, maar wat een poëzie!

‘Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan de muur zes briefjes met G.v.d. erop en één met “Ziezoo”.’

En was er natuurlijk nog Kloppen s.v.p. van Buddingh’.

 

Lees gedicht

 

Kloppen svp

 

van september ’35 tot juni ’38
studeerde ik middelbaar engels a.
de lessen werden gegeven
in het gymnasium
aan de laan van meerdervoort te den haag.
het was een zich deftig voordoend gebouw:
de stortbak van de wc
had dan ook twee deftige trekkers,
er hing een stukje ivoorkarton naast
waarop in deftige drukletters stond:
‘voor grote spoeling gebruike men de lange trekker
voor kleine spoeling gebruike men de korte trekker’
een vermoedelijk iets minder deftig
iemand had eronder geschreven:
‘in geval van twijfel
wende men zich tot de rector’

moraal:
ga niet bij het onderwijs,
en als u toch bij het onderwijs gaat
word dan liever geen rector

 

C. Buddingh'

Ik zocht die wc ooit en vond hem niet, maar in de realis van mijn verbeelding kom ik hem vaak tegen. Sinds kort staat daar vlak bij de vroegere linnenkast van mijn ouders, met achterin dat briefje van Mariannes moeder.

En er was iets bij Gruwez, iets waarbij ik me een post-it briefje voorstel. Op een bloempot. Hoe zat dat ook alweer? Het antwoord vind ik op bladzij 78 van Garderobe:

 

‘En met een stem vol moederschap

Laat zij een opdracht aan de planten na:

Wees daar, eis water, als ik niet meer ben.’

 

Lees gedicht

 

Oma's memo

 

Zij ruimt de rommel op die niet meer dient:
een fotolijst, een hoornen bril,
verlovingsjurk van anno dertig,
de prullenkraam van een bestaan
dat eens vol meesterwerken was.

Haar mooiste meesterwerk ben ik,
klein mausoleum voor een dochter,
de hare, die mij baarde en toch stierf,
de missing link die ons verbindt,
gemis dat vlees werd, stof en as.

Uit alles blijkt dat zij zich traint in blijven,
in voortbestaan, inpakken van wat was.
En met een stem vol moederschap
laat zij een opdracht aan de planten na:
wees daar, eis water, als ik niet meer ben.

Alles wat weerloos is en eindigt
verdient een voortbestaan. Geen ding.
Zo eindigt ook haar kunstgebit
met gouden stift, dat nu nog elke avond
in een glaasje gaat, straks in een kist.

Luuk Gruwez

Dus in de galerij der verbeelding komt ook een bloempot.

 

Bertus Aafjes, Gedichten. Contact, Amsterdam/Antwerpen

C. Buddingh’, Buddingh’ gebundeld. Gedichten 1936 – 1985. Bezorgd door Wim Huijser. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar 2010.

Luuk Gruwez, Garderobe. Een keuze uit zijn gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2015 3e

Submit to FacebookSubmit to Twitter