door Len Borgdorff, 10 juli 2018

 

De uitnodiging om haar nog te zien, voor het sluiten van de kist, liet ik aan me voorbij gaan. Het zou de eerste keer geweest zijn dat ik haar zag. Dat zou een valse ontmoeting zijn geweest: dode doden lijken niet op wie ze levend waren. Ik ken haar alleen van de verhalen van haar dochter en schoonzoon. Vrienden zal ik hen niet noemen, dierbaar zijn ze me wel en het verhaal van hun langzaam aftakelende moeder was me vertrouwd. En zo maakte ik bij het afscheid kennis met haar.

 

 

Ze hield van poëzie. De namen vielen van Enquist, Kopland, Vasalis, Rilke, Toon Hermans ook. Van de laatste snikte de zoon drie gedichtjes uit, van Rilke deed de dochter er eentje. Dichtbundeltjes zaten vol met krantenknipsels, vertelde de dochter erbij, want daar was de moeder van, van knipseltjes.

 

Natuurlijk werd in de dienst ook stilgestaan bij de dood van haar man. Hij kwam om bij een ongeluk, in 1972. Ik keek naar de data onder haar foto op de orde van dienst. Ze was toen dus 37 en bleef achter met drie kinderen. Op de rouwbrief toen had gestaan dat hij omkwam ‘in de vakantie.’ Dat had zij met pen gewijzigd in ‘tijdens de vakantie.’ Ze was dan wel weduwe geworden en had drie kinderen te verzorgen, maar ze bleef de dingen doen zoals het hoorde. Zij vond ‘tijdens’ goed en ‘in’ bij nader inzien niet. Na de gedichten was dit het tweede moment waarop ik de vrouw die ik nooit gekend had wat meer in mijn hart sloot.

 

Dat ongeluk is een traumatische ervaring geweest voor de oudste dochter. We hebben het er geregeld over gehad. Nu, bij dit afscheid, drong tot me door hoeveel onvoltooid verleden tijd er rond dit gezin heeft gehangen. Misschien wel tot nu toe.

 

Wat betekent het als iemand zo plotseling uit het midden van het leven wordt geplukt? De in 1972 verongelukte man is in zijn afwezigheid zeldzaam aanwezig gebleven in het leven van zijn geliefde en zijn kinderen.

 

Alles voor dit afscheid kwam uit de koker van de overledene. Zodra iets maar enigszins de moeite waard was had ze dat geregistreerd: mooie gedichten, mooie liederen. Ze had haar eigen afscheidsdienst niet vastgelegd, maar wel had zij gezorgd voor zoveel bouwstenen dat het niet moeilijk was geweest daar niet iets moois van te maken. Ik was onder de indruk van de moderne smaak van deze vrouw die toch 83 geworden was, al genoot ik ook van het zevende vers van psalm 68. Bij het zingen ervan was ik weer even het kind dat hoort hoe halverwege zijn uit volle borst meeschallende vader uit de bocht vliegt met een te hoge inzet. Tegelijkertijd drong tot me door hoe aanwezig deze in ’72 verongelukte man was gebleven voor het gezin dat hij naliet, meer dan mijn eigen, negen jaar later overleden vader die even naast me was komen zitten om een psalm mee te zingen.

 

Dan, aan het eind van de bijeenkomst, begint Mercedes Sosa te zingen. Zij zingt:

 

Y en las multitudes el hombre que yo amo.

 

‘En in de menigte de man van wie ik houd.’

 

Ineens ben ik de vrouw die vanuit een ander hier-en-numaals over een massa mensen uitkijkt en daartussen plotseling de man ontdekt van wie ze zo houdt.

 

‘Wat is dit mooi,’ zeg ik tegen mijn buurvrouw. Even iets zeggen kan namelijk een manier zijn om betraande ogen en een snotneus te voorkomen.

 

Lees gedicht

 

Gracias a la vida

 

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me dio dos luceros, que cuando los abro,
Perfecto distingo lo negro del blanco
Y en el alto cielo su fondo estrellado
Y en las multitudes el hombre que yo amo

 

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me ha dado el oido que en todo su ancho
Graba noche y dia, grillos y canarios,
Martillos, turbinas, ladridos, chubascos,
Y la voz tan tierna de mi bien amado

 

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me ha dado el sonido y el abecedario;
Con el las palabras que pienso y declaro:
Madre, amigo, hermano, y luz alumbrando
La ruta del alma del que estoy amando

 

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me ha dado la marcha de mis pies cansados;
Con ellos anduve ciudades y charcos,
Playas y desiertos, montanas y llanos,
Y la casa tuya, tu calle y tu patio

 

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me dio el corazon que agita su marco
Cuando miro el fruto del cerebro humano,
Cuando miro al bueno tan lejos del malo,
Cuando miro al fondo de tus ojos claros

 

Gracias a la vida que me ha dado tanto
Me ha dado la risa y me ha dado el llanto
Asi yo distingo dicha de quebranto,
Los dos materiales que forman mi canto,
Y el canto de ustedes que es mi mismo canto,
Y el canto de todos que es mi propio canto
Gracias a la vida que me ha dado tanto

 

Violeta Parra

 

Violeta Parra, Gracias a la vida.

 

Bij het schrijven van dit stukje stond deze live-uitvoering van Mercedes Sosa in de herhaling:

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter