door Len Borgdorff, 3 juli 2018

 

Het woord ‘kaakjes’ is ontleend aan ‘cake’, het Engelse woord voor ‘koek’. Kaak, koek, keek, kok. Ik zet het allemaal maar even fonetisch neer. Interessant is wel dat het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal, vertelt dat het er op het oog alle schijn van heeft dat het woord ‘kaak’ gevormd is naar de geschreven vorm van het Engels cake. Er is ook het Nederlandse woord ‘keek’ met dezelfde betekenis. Dat zou dan op het gehoor zijn overgenomen. Het Amerikaanse cookie is afkomstig van het Nederlandse koekje, of beter ‘koekie’. Er is ook nog een Schots cookie. Dat zou ook van het Nederlandse koekie afgeleid kunnen zijn, al wordt daarbij ook gedacht aan de mogelijkheid dat het is afgeleid van ‘cook’ of ‘cuck’. Een oude schriftelijke vermelding van kaakje is 1699. Dat is ongeveer in dezelfde tijd dat de deftiger pendant bisquit gebruikt ging worden. Dat zou 1704 zijn geweest. Het zou mijn moeder een lief ding geweest zijn als het woord kaakje niet had bestaan en we het in plaats daarvan over biskwietjes gehad zouden hebben, al gebruikte ze dat woord zelf ook nooit. Daarvoor vond ze zichzelf te gewoon. Dus had zij het over een kaakje. Maar nooit en te nimmer over een kakie, zoals de rest van het Westland dit platte cirkeltje of vierkantje noemde. Het was een steek in haar hart. Ik weet nog dat ze een keer de beslagkom op het aanrecht liet vallen toen ik op een keukenstoel klom om een elastiekje te pakken. Elastiekjes werden bewaard om de lichtschakelaar van de keuken. ‘Wat doe je?’ vroeg ze, zonder op te kijken. ‘Kmot een stiekie,’ zei ik. En toen ontglipte haar dus die kom met beslag. ‘Elastiekje,’ jammerde ze.

 

 

Bij Wilbert Cornelissen liggen de kaakjes naast het bed, een kleine noodvoorraad om ervoor te zorgen dat hij niet met lege maag hoeft op te staan.

 

zonder het licht aan te doen,

tast ik naar de kaakjes;

 

Hij heeft het over kaakjes, niet over kakies. Mijn moeder zou tevreden zijn.

Nee, mijn moeder zou helemaal niet tevreden zijn geweest, want je mag ’s nachts niet snoepen. Dan heb je je tanden immers al gepoetst.

Een slok water kan haar goedkeuring wel wegdragen, nu ze weet dat ik niet meer in bed plas.

ik neem een slok water, een tweede scheppingsact;

 

Tien jaar lang schreef Cornelissen dagelijks een zogenaamd stadsgedicht, 3714 gedichten leverde dat op. Iedere dag! Daarvan zijn er nu 64 gebundeld. Maar tien jaar lang, iedere dag een. Daar word ik stil van.

 

Lees gedicht

 

stadsgedicht 3705, 22 12 2016

 

Koekje in de nacht

 

zonder het licht aan te doen,

tast ik naar de kaakjes;

 

ik heb er twee klaargelegd in een plastic zakje

naast het bed;

 

de mondholte stribbelt tegen, geprikkeld,

ik proef de warmte, de droogte,

 

eigenschappen van akkers, rulle grond;

ik ben geland op een andere smaakkomeet

 

die mij meevoert de kosmos in,

een droge droom;

 

culinair nader ik de schepping uit het niet;

ik neem een slok water, een tweede scheppingsact;

 

‘niet met een lege maag opstaan of

naar bed gaan’

 

wordt geadviseerd want ook van een lege maag

kun je onpasselijk worden

 

 

Wilbert Cornelissen [de Mottenfokker]]

 

Wilbert Cornelissen [de Mottenfokker], Elke dag een / Proefsleuven. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2018.

Submit to FacebookSubmit to Twitter