door Len Borgdorff, 26 juni 2018

 

Dit wordt een vervelend stukje. Het spijt me dat ik het schrijf. Als ik jou was, zou ik het maar niet lezen, dit stukje over mijn verkeerde keelgat. Daarin schoot de reactie van schrijvers op het door het CPNB voor volgend jaar aangedragen thema. De moeder de vrouw.

 

 

Ouderwets en verfoeilijk, die combinatie. Vindt men. Je zal anno 2018, en als de Boekenweek uitbreekt alweer 2019, maar vrouw wezen en geen moeder, gewild of ongewild. Of, misschien, was je juist zo blij dat de NS publiek genderneutraal aanspreekt. En nu dit!

Maar dat mensen al dan niet vrijwillig moederschap combineren met vrouw zijn of onder beide lijden, doet toch niets af aan één van de meeste wonderbaarlijke en het aardse leven bij uitstek bepalende fenomenen. Niet alleen bij mensen, ook bij vier-, zes- en achtvoetige schepselen, bij gevleugelden en bekieuwden, zoog- en eikroost. Zodra de natuur daar wat minder stringent mee omgaat, spreekt men daar juist zijn verbazing over uit: bij de wandelende tak – misschien een geschikte naam voor één of ander genderneutraal genootschap? Of walging: bij slakken en wormen. Bij lipvissen kan je moeder overigens een man zijn. Bij planten ligt het weer een beetje anders. Dat dan weer wel.

Dat verkeerde keelgat van mij vindt zijn verklaring in de literatuur. De moeder de vrouw is immers de titel van misschien niet het beste, maar dan toch het bekendste gedicht uit de Nederlandse literatuur. Raar om straks, bij het 85-jarig bestaan niets te doen met deze literaire erfenis.

Belangrijker vind ik de mogelijkheden die het thema kan bieden om een verhaal, essay of gedicht te schrijven. Een thema is niet de inhoud. Ik hoef het boek ‘De Tweede Oorlog in Nederland’ toch niet te verfoeien met een nobel beroep op mijn antioorlogse sentimenten? Ik zou in dit geval zeggen: lees het gedicht. En ga daar dan op in als je het er niet mee eens bent, zoals Kopland ooit in Liter deed.

En nog belangrijker: literatuur verstaat bij uitstek de kunst om herscheppend en wonderlijk blikopenend en verrassend met een thema om te gaan. Daar is literatuur voor. Dus: jammer van al die gemakkelijke handtekeningen, ook van auteurs die ik tot in het diepst van mijn ziel bemin. Had even contact met me opgenomen en ik had je kunnen herinneren aan je metier: literatuur bedrijven. Ook hierover. Dát is je handtekening.

En dan nog even de bijvangst van het andere keelgat. Wat zullie willen: mannen die over mannen schrijven, Marokkaansen over Marokkaansen, goudvissen over goudvissen. Alleen slakken en wandelende takken…

 

Maar als gezegd, lees dit stukje maar niet. Het gaat ten koste van de literatuur. Sorry voor het ongemak, meneer Nijhoff, u krijgt het laatste woord.

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Martinus Nijhoff.

Martinus Nijhoff, 'De moeder de vrouw'. In: Verzameld werk I. Gedichten. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1982

 

Rutger Kopland en Sybe Bakker, Klinker & Medeklinker,  Liter 5, 1998

Submit to FacebookSubmit to Twitter