door Len Borgdorff, 4 juni 2018

 

Even voor de goede orde: ik zit op een balkon een paar kilometer van Alzenhas do Mar. Dat zegt je waarschijnlijk niets, maar daar zit ik dus wel en ik lees van Pessoa deze regels:

De Taag is mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp,
Maar de Taag is niet mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp
Want de Taag is niet de rivier die stroomt door mijn dorp.

 

 

 

Een kleine week verbleven wij bij en liepen en reden we langs de Taag in Lissabon. Toen ook las ik het gedicht waarvan deze regels de opening zijn.

 

Lees gedicht

De Taag is mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp,
Maar de Taag is niet mooier dan de rivier die stroomt door mijn dorp
Want de Taag is niet de rivier die stroomt door mijn dorp.


De Taag heeft grote schepen
En op haar water vaart nog steeds
Voor degenen die in alles zien wat er niet is,
De herinnering aan de galjoenen.

 

De Taag ontspringt in Spanje
En de Taag mondt uit in zee in Portugal.
Dat weet iedereen.
Weinigen echter weten welke de rivier is van mijn dorp
En waarheen zij gaat
En vanwaar zij komt.
En daarom, omdat zij minder mensen toebehoort,
Is vrijer en groter de rivier van mijn dorp.

 

De Taag is een weg naar de Wereld.
Voorbij de Taag ligt Amerika
En het fortuin van hen die het vinden.
Niemand heeft ooit gedacht aan wat er ligt voorbij
De rivier van mijn dorp.

 

De rivier van mijn dorp doet denken aan niets.
Wie aan haar oever staat staat enkel aan haar oever.

 

Fernando Pessoa

 

Volgens mij heeft Pessoa nooit ergens in een Portugees dorp gewoond, al kan ik me daarin vergissen. Ik zou dan ook niet weten of hij bij de rivier die in zijn gedicht naamloos blijft, aan een bepaalde rivier dacht. Het doet er ook niet toe.

Pessoa’s Taag, maar ook de rivier die ik de afgelopen dagen zoveel zag, voert mij in elk geval terug naar de Nieuwe Waterweg, veel minder breed, zonder herinneringen aan galjoenen en zelfs geen echte rivier, want gegraven in de tweede helft van de negentiende eeuw. Hoe dan ook: de Taag is mijn Nieuwe Waterweg.

En dan is dus de rivier van mijn dorp, en nu wel een naam, de Gantel. Er waren veel sloten in het Westland van de jaren vijftig en zestig, smal of breed, stromend of doodlopend, maar altijd sloot. Sloten met bruin water en waarin kinderen verdrinken konden. We stonden ooit langs een wat bredere sloot toen mijn broer me vertelde dat hij in de Gantel ging zwemmen. Daarmee blies hij een vroege poëtische ervaring in mij aan. De sloot waaraan we stonden, werd een rivier, en nog wel eentje die, avant la lettre, leek te fluisteren ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten.’ Het woord werd water.

Sloten waren er om druiven, tomaten, sla, komkommers, meloenen en zoiets raars als een paprika op schuiten naar veilingen te varen, om in te vallen, en dan mogelijk te verdrinken – ik kende ze, de kinderen, die niet meer levend boven waren gekomen – maar niet om in te zwemmen. De Ziekte van Weil woelde in het donkere water en regelmatig zag je zijn kopje of zijn staart.

Toch trok mijn broer zijn kleren uit en sprong in het water van de Gantel. ‘Er zwemmen grote snoeken en die bijten in je piemel,’ riep hij lachend toen ik weigerde om ook het water in te komen. Ik geloofde het niet, dat van die piemels, al kreeg ik even een onaangenaam gevoel in mijn broek. Intussen werd deze sloot, werd deze rivier van mijn dorp groter en grootser, levend water dat de dood in zich droeg. Mijn broer klom even later weer op de kant, bloot, nat en bepiemeld. Van de Ziekte van Weil is het nooit gekomen.

 

En nu? Geen Taag, geen Waterweg, geen Gantel, zelfs geen Atlantische Oceaan. Die doen we straks. Wel is er een verlaten zwembad. Ik hoef maar een paar stappen te zetten. Het is 26 graden. Dit schrijfblokje kan ik als bladwijzer gebruiken voor de gedichten van Pessoa. Tussen bladzij twee- en drieënnegentig.

 

Fernando Pessoa, Gedichten. Verzorgd en vertaald door August Willemsen. De Arbeiderspers, Amsterdam 1978

Submit to FacebookSubmit to Twitter