door Len Borgdorff, 14 mei 2018

 

Voor Anneke

 

Ik kon slecht tegen de sentimentele manier waarop mijn vader kon reageren als er iemand in zijn omgeving was overleden. Dat was hem dan overdag ergens verteld en als hij thuiskwam bleek hij zijn verdriet ergens in een café al te hebben aangelengd. Een oude man of vrouw kon hij nog wel aan, maar bij een leeftijdgenoot was het deut.

 

 

Bij zijn eigen dood liet hij een glaasje jenever na waaruit nog maar een slokje genomen was. Toen had hij zich verslikt, was in een hoestbui beland, zei nog tegen mijn moeder: ‘Ach mens, het gaat zo over.’ Maar daar was toen weer een hartaanval overheen gekomen. Toen de dokter de kamer in rende kon zij alleen maar voor de vorm nog wat handelingen verrichten. Een uur later kwam ik. Ik heb toen eerst dat glaasje van mijn vader maar helemaal leeggedronken. ‘Daar ga je, Pa!’ We moeten het licht houden.

En nu schoot Huub afgelopen woensdag op zijn fiets de Lekdijk af en kwamen er twee ambulances en een helikopter te laat. ‘Daar ga je, Huub,’ mompel ik terwijl ik de trap afloop, zonder drank en met het besef dat ik me niet moet aanstellen en me de dode niet moet gaan lopen toe-eigenen.

Ik betrap me erop dat ik regelmatig iets tegen hem zeg. Als ik mijn bril schoonmaak. Regelmatig vergat ik mijn leesbril en dan kon ik terecht in zijn postbakje, want daar had hij een reservebrilletje liggen. Als ik mijn schoenen aantrek, want hij trok een keer per ongeluk te mijne aan omdat we dezelfde bleken te hebben. Als ik achter mijn bureau thuis ga zitten, want daar zaten we af en toe samen om iets te doen voor de MR: hij was de voorzitter, ik de secretaris en we waren het niet met elkaar eens. Als Koos langskomt, want de eerste tekst die ik las van Huub schreef hij op de melodie van een lied van Harrie en Koos, Het Lijk heette dat. We schreven samen teksten, één op drie, ik eentje en hij de andere. Als ik het bibliotheekboek pak dat ik vorige week leende, want vorige week trof ik hem in de bibliotheek. Hij gaf les aan Syrische vrouwen. Het ging over tafelmanieren. Hoe leg je je vork en mes neer? Dus ook als ik eet. En als ik kijk hoe laat het is, want we hadden het over kwart over negen en kwart voor drie, maar ook over kwart over drie. En of tien voor vier in het ene en tien over vier in het andere geval ook zou mogen.

Nu sta ik met zijn rouwkaart in mijn hand. Hij kijkt me vriendelijk aan, van over zijn brilletje. Het zou zomaar een zelfportret kunnen zijn. Van mij maakte hij een vergelijkbare foto, maar ik kijk veel strenger. Bij ons afscheid van school in 2015 gaf hij mij een boekje en die foto. Ik gaf hem het interview dat ik hem voor zijn afscheid had afgenomen en een tegeltje met zijn lijfspreuk: Scherven brengen geluk. Want zo was het. Ik ken Huub alleen maar van na de scherven, als een gelukkige man. Tot afgelopen woensdag dus.

Op de binnenkant van de rouwkaart lees ik dit gedicht van Ida Gerhardt.

DE GESTORVENE

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan -
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Zware woorden. Mijn vader zou er verrukt van zijn geweest.

‘Ja, Huub,’ mompel ik. ‘Het valt me nu even vreemd genoeg niet mee om niet op mijn vader te lijken.’ Huub zegt niets.

Ida G.M. Gerhardt, De slechtvalk. Bert Bakker, Daamen, Den Haag; Polak & Van Gennep, Amsterdam 1966

Submit to FacebookSubmit to Twitter