door Len Borgdorff, 8 mei 2018

 

Mijn vader ken ik intussen veel langer dood dan levend. Toch blupt er vrijwel dagelijks wel een herinnering aan hem op. Meestal via een bruggetje.

Gisteren maakte ik een back up van mijn foto’s en tegelijkertijd saneerde ik een en ander, want sommige fotomappen bleken dezelfde inhoud te hebben. Hoe dan ook: ik stuitte op de foto van een tafelblad met daarop een plastic tas, een brochure en een cap. Ik nam die foto in juni 2011, terwijl ik aan die tafel zat. Ik zat er met de grote Australische dichter, Les Murray. Die tas, de brochure en de pet waren van hem. Zelf was hij even weg. Hij had me namelijk gevraagd of ik ook een pilsje wilde en ik had gezegd dat ik liever thee had. ‘Thee?’ had hij gemompeld. En hij had zelf het antwoord gegeven: ‘Ja, thee kan natuurlijk ook.’ Daarop had hij zich wat moeizaam omhooggedrukt en was opgestaan en weggesloft. Zijn biertje liet hij staan. Dat stond te verschalen. Voor mij. Ik nam een foto van zijn attributen. Zijn pils kwam er niet op.

 

 

Die foto kreeg ik gisteren op mijn scherm en toen kwam dus mijn vader op de proppen. Een jaar of veertig geleden was hij eens bij me langsgekomen toen ik een staat van grote somberheid combineerde met een aanrecht vol afwas.

Mijn vader sprak zijn woorden van troost. Hij begreep maar al te goed dat die stuk voor stuk volstrekt ontoereikend waren, wat tot gevolg had dat ik me er juist wel door getroost voelde. Wat poëzie ook kan zijn: een geslaagde mislukking.

Pa zelf kwam niet verder dan het besef van ontoereikendheid en daarom slofte hij naar het aanrecht, liet de wasbak vollopen met warm water en begon de vaat voor me te doen. Zonder afwasmiddel, zonder borstel. Hij wilde me niet lastig vallen met onbenullige vragen over de verblijfplaats van kwast of zeep. Ik heb toen maar een droogdoek gepakt.

 

Het verhaal gaat dat er ooit eens een godenzoon was die de voeten van zijn onderdanen waste. Je kent dat verhaal waarschijnlijk wel. Zoiets, was het, toen met Murray, en toen met mijn vader. Even belandde ik in een omgekeerde wereld waarin goden zeggen: blijf maar zitten, ik doe het wel.

 

In The last hellos neemt Murray afscheid van zijn vader. De cyclus begint met:

Don’t die, Dad ─

but they die.

 

Het vierde en laatste gedicht van de cyclus besluit met:

 

On your day there was a good crowd,

family, and people from away.

But of course a lot had gone

to their own funerals first.

 

Snobs mind us off religion

nowadays, if they can.

Fuck them. I wish you God.

 

Als mijn vader dit gehoord had, maar dan in de vertaling van Maarten Elzinga (van hem is het witte overhemd op de foto), zou hij gezegd hebben: maar dat is toch geen gedicht! Dat is gewoon de waarheid.

 

En als, op zijn beurt, Les Murray dat gehoord had, zou hij geknikt hebben en aan mijn vader vragen of hij misschien ook thee wilde.

‘Thee? Thee? Ik ben geen kind.’

 

 

 

Les Murray, De planken kathedraal. Samenstelling en vertaling Maarten Elzinga. Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam 2013

 

De door Steven van der Gaauw vormgegeven laatste strofe van het gedicht maakt deel uit van een serie poëziekaarten die Liter uitgeeft. Ze zijn te bestellen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Submit to FacebookSubmit to Twitter