door Len Borgdorff, 30 april 2018

 

De Vechtdijk voerde me dagelijks langs de Vecht van Utrecht naar Oud-Zuilen waar hij van naam veranderde. Daar fietste ik jaar in jaar uit de brug over en zo verliet ik dan de weg die ik de Als-dit-Ierland-was-zou-ik-beter-kijkenlaan noemde naar een gedichtje van K. Schippers waarvan ik je de tekst niet wil onthouden:

 

Als dit Ierland was,

zou ik beter kijken.

 

 

De titel van het gedicht is Bij Loosdrecht, maar ik fietste dus over genoemde dijk langs de Vecht om die in Oud-Zuilen te verlaten. Dat punt, daar gaat het me nu even om. Daar wachtte me namelijk de dagelijkse en onvermijdelijke bal op die er mijn buik besprong zodat ik bezwaard verder fietste, steeds meer een dag vol plichten naderde, vol onverwachte momenten, groot en klein, met willige dan wel onwillige leerlingen en collega’s, en mijn reacties waarmee ik mezelf zo kon verrassen.

Maar voor dat prachtige huis bij de brug, soms zelfs midden op straat zat vaak een zwart witte kat. Je kan zomaar dood gereden worden, mompelde ik wel eens tegen de kat. Kijk jij maar uit. Maar die kat leek zich over zijn toekomst helemaal geen zorgen te maken. Hij likte af en toe wat aan zijn vacht, waardoor hij nog beter in zijn vel kwam te zitten. Dacht ik.

Ik was jaloers op die kat. Jaloers op het feit dat hij daar zo vaak zat en mij jaloers maakte zonder ook maar het idee te hebben dat hij dat deed. Die kat heeft die kerel op zijn rooie fietsje nooit gezien.

Gisteravond fietste ik niet maar wel stapte ik in bed met dezelfde bal die bij Oud-Zuilen zo trouw mijn maag in wist te duiken. Ik had verschillende dichtbundels doorgebladerd maar een regel die me tot dit stukje voeren zou, vond ik niet. ‘Hoe kan ik stuiven als ik niet word aangeraakt?’ zei ik in stilte Van Geel na.

 

En toen, vanochtend, ik stond onder de douche, kwam Ilja Leonard Pfeijffer de badkamer binnen, niet in persona maar in de gestalte van een herinnering aan een van zijn gedichten, veel en veel langer dan Bij Loosdrecht van Schippers. Hij (Pfeijffer) wees me op dit fragment:

 

Weet jij waarom de dieren triest uit ogen kijken?

Ik wel. Dat is omdat ze op ons willen lijken.

De koeien willen ook een god die boeken schrijft.

Ook vogels willen zoon van vogel die beklijft

Tot na de allerlaatste tweet die wordt verstuurd.

Kamelen willen zachtjes wiegen in de buurt

van een vervallen muur, dan wel, als dat niet mag,

voorover ruiken aan een kleed vijf keer per dag.

Ze zien hoe mens zich in onware hoop verliest.

Voor dieren is er niets dan waarheid. Dat stemt triest.

 

Als dit waar is, als deze illusie waar is, dan heb ik al die jaren de kat onrecht gedaan met mijn misplaatste jaloezie. Ik fietste daar in de met terugwerkende kracht gelukkig te noemen waan dat het welvaren en -bevinden van de wereld die me wachtte, vooral afhankelijk was van mij! Van mij! En die kat die zag dat. Die wilde dat ook. En de meerkoeten en waterhoenen ook, en de eenden, zwanen, ganzen, koeien, kieviten, scholeksters, reigers, kikkers, ooievaars, de grote bont specht en soms het ijsvogeltje, de mussen, en de distelvinkjes. O, wat zullen die jaloers geweest zijn!

 

 

K. Schippers, Een leeuwerik boven het weiland. Querido, Amsterdam 2003

Chr. J. van Geel, Vluchtige verhuizing. Athenaeum – Polak & Van Gennep. Amsterdam 1976.

Ilja Leonard Pfeijffer, Idyllen. Nieuwe poëzie. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2015.

Submit to FacebookSubmit to Twitter