Door Ruben Hofma, 14 juni 2017

 

Fabelachtig mooi is zijn dichtbundel Wolkenjagen (1997), openend met ‘Achter sterren staan sterren’. Er komt geen einde aan de wirwar van kriskrasse verwondering en verbijstering in Frans Kuipers’ hersenen, want er is Geen ander antwoord. Een nieuwe dichtbundel met gedichten van Kuipers als vanouds, al worstelt de dichter, halverwege de 70, met gewenning en veroudering. Voor hem bestaat uiteindelijk geen ander antwoord dan nieuwsgierig blijven en gedichten schrijven, niet overleven maar verleven.

 

 

Van Kuipers, katholiek opgevoed in Vught, kan gezegd worden dat hij niet gelooft in God omdat voor hem het geloof de wonderbaarlijkheid van het bestaan zou kunnen ontsluieren. Kuipers gelooft in schoonheid: ‘Er was eens een ik […] en schoonheid hij bad u in de naam van de hommel / en de wind en de wolk in het blauw, hij bad u // en schoonheid hij bidt u nog steeds, zijn liefde voor u is / zo levenslangdurend als zijn sprook-onontsnapbaarheid houdt.’ Voor Kuipers is er geen ander antwoord op de vragen die het water, de sneeuw, de vogels, de bomen, de woestijnen, de zon, de maan en de sterren vormen dan de stilte, het ontwijken van de vragen of ze verzwijgen tot ze verdwijnen. Wie de grote vragen – Waar komt alles vandaan? Wat omringt ons nu we ergens zijn? Waar gaat alles naartoe? – dodelijk serieus beantwoordt, pleegt moord. En toch ontspruit aan stilte de nieuwsgierigheid en dat is de aard die Kuipers bezit en daarom stelt hij in gedichten vragen en geeft hij antwoorden, al raakt door zijn vragen en antwoorden geen enkel wonder zelfs ook maar gewond.

 

Geen ander antwoord bestaat uit 38 sterk van lengte wisselende gedichten en een gedicht gelijkende ‘Verantwoording’. Zes gedichten (in de afdeling ‘Hervattingen’) verschenen eerder en anders in voorgaande dichtbundels. In de andere gedichten tref je wederom typische Kuipers-taal aan, passages zoals ‘trek je dag aan, doe je zon om / en geloof-hoop-hou-van.’, ‘De longen zijn de vleugels van het hart. / Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied.’ en een volledig drieregelig gedicht als ‘Een eenpersoonssterrenscheepje voor een inktvaardersziel luidde de opdracht / en voor jou is het bedoeld, eerlijke vinder, hoezeer ook van juttekopwege / in de naam van de wind en de bokkensprong geschreven.’

 

Die taal doet denken aan de poëzie van Mark van Tongele, Toon Tellegen (vooral zijn Wonderbaarlijk buigt zich over het water), Frank Pollet en zelfs een beetje aan Joke van Leeuwen en de hermetische experimenteel en neologismenliefhebber Sybren Polet. Kuipers is de avontuurlijkste troubadour. Zijn poëzie is daverend speels, vederlicht, liederlijk en vrolijk, hoewel soms droefheid doorschemert: ‘Zonneschijn vergeef me dat ik gisteren nog noteerde / ‘Niets te melden. Alles allejezust verder. Alles oenepoent voort.’ En na het zien van een met olie besmeurde vogel op het strand van Texel – Schapeneiland voor de dichter, waar hij het overgrote deel van de gedichten schreef – schrijft Kuipers twee gedichten waarin de opgetogen fantasie het af laat weten. In het ene gedicht betekent de geoliede vogel een les in sterven voor Kuipers, in het andere stelt de dichter zich zijn einde dramatisch voor:

Lees gedicht

En teruglopend

 

*

 

En teruglopend door de schemering denk je natuurlijk

aan verzorgingstehuizen en het spook van je eigen einde,

aan al dat medisch etcetera van macabere beademingsapparaten,

slangen en buisjes en spuitjes

en dat het beschaming is wat zo’n beestje in je teweegbrengt

denk je lopend in het donker op weg naar het comfort

van een winters vakantiehuisje, naar warme hap,

muziek en open haard, denk je telkens weer

aan de oude verschrikking te creperen in de verlatenheid,

de dood te smaken op de natuurlijke wijze van een waterplaneet.

 

Ondanks dat de opgetogenheid ontbreekt, is dit geen lelijk of naar gedicht. Het ritme laat Kuipers nooit in de steek en er is rijm. Er is het beeld van het vakantiehuisje, een ‘comfort’. Er is de lichte, relativerende slotregel. En er is het beeld van de verouderende man die door het donker naar de warmte en de muziek loopt, de watervogel latend en stervend waar die was. Je denkt: laat die man alsjeblieft gauw zijn comfort bereiken.

 

In Geen ander antwoord staan enkele gedichten die er niet in hadden gehoeven, zoals een tot feiten beperkt gedicht over een verloren poëziewedstrijd, ‘een gedicht – het moest een kort gedicht / van maximaal twintig woorden zijn – / dat je inzond voor een poëziewedstrijd’ en een gedicht dat stroef eindigt met ‘De onbeschrevene die ik mij niet herinner, / die is geboren toen en daar. Weet jij waar jouw ik is geboren?’ Die regels refereren aan het feit dat Kuipers vroeg in zijn leven als een ware reiziger op avontuur is gegaan. Het voor en na van die reis zijn terugkerende tijden die hij vaak in dichtbundels oproept, maar de reis zelf is het belangrijkste thema, want die is niet voorbij: ‘Niet ongelijk aan een kleine in zijn box achter de spijlen, / stond, alleen aan de reling, een heldere avond // met het dravende maanpaard op de deinende wijdte, // de afgevaardigde van eicel en zaadje / opziend naar het vermiljard dat ons omgeeft.’

 

Kuipers schrijft er niet alleen over voor zijn kinderen en kleinkinderen, maar ook om anderen te inspireren zich  vrij te voelen – het langste gedicht is zelfs een liefdevolle groet aan alle zeevaarders, ‘de zee is het grootste werelddeel op aarde, de zee is een omgekeerde hemel waarin vliegen de vissen, alles wat vaart beweegt zich voort tussen twee hemels, de rompen van de schepen zijn door lippen van water omgeven, alles wat vaart beweegt zich voort op een kus’ – en daarin slaagt de dichter. Ik kan alleen maar hopen dat de drukmakers, negativisten en huiskluisteraars de poëzie van Frans Kuipers onder ogen krijgen en bekeerd worden tot de binnen deze gedichten ontluikende schoonheid van buiten, de wonderlijke wereld.

 

Kuipers, Frans, Geen ander antwoord, Atlas Contact, Amsterdam 2016, 64 blz., € 21,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter