Een ingekorte versie van deze bespreking verscheen in Liter 86.

 

Door Ruben Hofma, 19 juli 2017

 

Hoe breng je dingen tot leven? Hoe bevestig je hun bestaan? Door het noemen van hun naam, door het woord tot hen te richten. Dat is wat Joost Baars doet in zijn poëziedebuut. Binnenplaats is ‘voor Liza’, die op een onaangename wijze medeverantwoordelijk is voor deze gevoelige gedichten. Binnenplaats opent met het turbulente gedicht ‘Kosmologie van het tapijt’ dat je de bundel in zuigt en sluit even bewogen met een titelloos gedicht dat je ‘Met jou beginnen’ zou kunnen noemen. Tussen dit begin en einde bevinden zich vier afdelingen en 48 gedichten: een flink debuut.

 

 

 

Leven, liefde en dood vormen de kern van het persoonlijke Binnenplaats. In het memorabele eerste gedicht dreigt een ik-figuur zijn lief te verliezen aan een hartinfarct. De wereld draait en om grip op haar te krijgen, moeten de dingen bij hun naam genoemd worden: ‘daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat’. Dat wormgat slaat de gong; hier is iets ernstig mis. Het buitelt voort: ‘daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf / kamer tafel laminaat lamp boekenkast / en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat’. Grip krijgen. Liefst rijmend, zoals hier in a- en aa-klanken, zodat alles met elkaar in verband staat, als een vangnet voor het leven, tegen de zuigkracht.

 

Baars houdt van nu en dan een lastige taalconstructie, zoals ‘daar in die zwaartekracht waar wat genoemd is zwaartekracht / en dat ons grondt aan wordt ontleend / als een magnetisch veld rond de planeet / dat er uiteindelijk niet tegen is bestand’, want die tweede regel lees je meermaals en de slotregel doet je peinzen. Het magnetische veld is niet bestand tegen de dood: ‘daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje / dat naamloos op haar noemer wacht’. Treffende woordkeuze trouwens, dat vloerkleed. Dit gedicht kent dermate sterke spanning dat komma’s en punten ontbreken; het is een situatie waarin taal een reddingsmiddel is. Het is een machteloze situatie waarin tijd en ruimte vloeibaar worden en taal vast, omdat je 112 kunt bellen, omdat je een naam kunt noemen. Die eerste letter van het alfabet die in dit gedicht zo prominent de plek kreeg, kondigt stiekem al een nieuw begin aan.

 

Overleeft ze het? En wat doet zo’n dreigend verlies met de wederhelft? Aan de compositie van Binnenplaats valt weinig op te merken; een proces van confrontatie, desperatie, geruststelling en herpakken ontwikkelt zich en langzaamaan concludeer je een goede afloop. In de titel-afdeling (eerder gepubliceerd in Liter 74, maar ‘u’ is ‘jij’ geworden in de bundel, er is minder afstand tussen de ik en zijn binnenplaats en meer variatie in de persoonsaanduiding) probeert de ik-figuur in dialoog te komen met de binnenplaats onder zijn balkon. Hier kwam interpunctie bij kijken; Baars wil de lezer niet laten verdrinken in mysterie, hoewel je daarin wel kopje onder gaat: ‘het geritsel van bomen is / niet het geritsel van bomen. / het is Jouw stem.’ Hoe kun je een gesprek voeren met een plek? Door er iets wezenlijks van te maken, letterlijk, nader je de dialoog. ‘daar hoor ik / Je vredig woedende neren, niet / het geritsel maar het geritsel // dat het geritsel doet klinken, uit een plek in mij die niet klinkt, // waar de taal waarmee ik dit zeg / niet bestaat, totdat Jij het zegt’. Maar dia blijft mono, al veroorzaakt de binnenplaats een taal die de ik-persoon en de binnenplaats beiden in een wisselwerking klinkklaar laat leven.

 

De figuur wil weten wie hij is in de ogen van de binnenplaats, hij wil samenvallen met zichzelf. Je merkt het aan regels zoals ‘zoals ik spreek als ik’, op maat gemaakt met enjambement. De ‘ik’ wil ook weten wat de binnenplaats is, die soms doet denken aan God; niet te doorgronden, zwijgend maar niets ontgaand: ‘ik heb Jou gezocht en Jij hebt mij / gevonden.’ Of is de binnenplaats een metafoor voor het zelf? Er is ontrafeling, maar de laatste rafel laat zich niet pakken. Een motto van John D. Caputo verklaart Baars’ visie op de afdeling ‘Binnenplaats’, gedichten als zijnde een gebed: ‘Prayer is not a matter of delayed gratification […] Prayers are really prayers when we do not know if there is anyone there to hear them or to whom we are praying for or for what.’ ‘Ik’ hoopt dat de binnenplaats kan redden, maar dat doet die niet. Daarom keert ‘ik’ zich van hem af, maar zoekt later weer toenadering, ontworteld en verlaten als de ‘ik’ is. ‘Je ritselde zo zacht / dat ik mijn angst vergat’.

 

In de afdeling ‘Meer dan aan elkaar’, die voorafgegaan wordt door Christian Wimans woorden ‘Love is the living heart of dread / Love I love you to the very edge of being / Dead’, schrijft Baars verder over ontworteling en het tegenovergestelde, verbinding. Hij is hier van de binnenplaats weggegaan en vergroot de wereld van de bundel. Baars laat zijn ik-figuur zich in anderen wortelen, onder wie de overleden dichter Thomas Blondeau, Karl Marx en Hannah Arendt, en laat hem als regisseur Werner Herzog wandelen van ziekenhuis naar huis in de hoop zijn leermeesteres Lotte Eisner te laten overleven. De zin ‘dus dwaal ik rond in wijken’ is gelaagd zoals veel van Baars’ poëzie. Het is ook wijken voor de werkelijkheid, vluchten in een alternatieve werkelijkheid, ‘waar alles rondgaat rondgaat rondgaat’, in de hoop dat die zodanig verdraait dat het licht thuis al aan is als de regisseur arriveert: ‘wie wandelde […] jouw nog ongelopen terugkeer aan?’ En passant is er nog een grappig gedicht over Tom Waits en zijn work in progress, waarin Jezus en een liedje door elkaar lopen en een auto, blik, niet de plek is.

 

Tom Waits

Lees gedicht

 

Tom Waits

 

tom waits reed op een negenbaansweg

en kreeg een lied in zijn hoofd.

 

hij zei: ‘jezus, zie je dan niet dat ik rij?’

 

later, zijn album was bijna voltooid,

foeterde hij tussen zijn tanden:

 

‘alle kinderen zitten klaar in de auto.

nu moet je komen of we gaan zonder jou!’

 

zonder jou wil ik niet,

maar dit is een liefdesgedicht

 

van iemand die jou niet wil bezitten.

als het je wil is, neem mij dan

 

het stuur uit mijn handen,

geef me andere woorden dan deze,

 

een andere wijze

om jou ergens anders

 

dan slechts in mijn blik te laten bestaan.

 

‘Waar ik niet heen wil gaan’ bestaat uit de vertalingen van de zes ‘Sonnets of desolation’ die Gerard Manley Hopkins tussen 1885 en 1886 schreef (de originelen lees je hier). Baars nam voor die vertalingen veel vrijheid, focuste zich opvallend sterk op het eindrijm van de gedichten, waardoor de woordkeuzes ondergeschikt zijn. In het eerste gedicht is ‘wife’ bijvoorbeeld veranderd in ‘verloofd’. Dat kun je jammer vinden van de originelen, maar storend is het niet; de sfeer blijft behouden en de boodschap overeind. En dan staan er toch zes geweldige gedichten geschreven vanuit ontreddering, met passages als ‘Ik ben gal, ben maagzuur. Gods diepste beschik / Smaakt bitter op mijn tong: die smaak was ik; / Skelet in mij, vlees vol, bloed vult de trog.’ Deze gedichten zijn zorgvuldig in de bundel terechtgekomen, want de ontreddering maakt deel uit van het proces van (bijna-)verlies.

 

‘Het dal van Spoleto’, een verwijzing naar Franciscus van Assisi die leefde voor de armen, is een reeks monologen gericht tot uiteenlopende vogelsoorten. De binnenplaats keert terug, maar is van een andere orde geworden, is niet meer het publiek van de dichter. Hier en daar refereert Baars nog aan de hartaanval, maar het gaat vooral over iets anders: maatschappelijke problematiek. De belabberde verhouding tussen de cultuur van de mens en de natuur, bijvoorbeeld. ‘je bent er om mij, inwoner, / vrolijk te maken met sprookjes- / achtige schoonheid, en draagt / die, mijn zwaantje, met statige // rust, die ik ontbeer, hier beland, / van onder de vleugels van // mijn ambitie die door competitie- / cultuur in mij is geplant’, spreekt de ik-persoon de zwaan toe die in een vijver leeft dankzij een gemeenteraad en een bestemmingsplan.

 

Baars verwijst gepijnigd in sommige gedichten naar de massasterfte van vluchtelingen die de Middellandse Zee oversteken en haalt het probleem aan dat landsgrenzen impliceren. Tegen de ganzen: ‘jullie bereiken niet een land, maar land, / belanden niet maar landen, // jullie onbeperkte welkom komt van de aarde / en gaat ons niet aan’. Ons gaat de wereldeconomie aan, het probleem dat we met z’n allen in stand houden, ‘want onze wereld / moet een wereld zijn / van mogelijkheden.’ Aan de buizerd stelt Baars de retorische vraag: ‘is er // wereld in de wereld / die ons kan // ontvangen zonder plan?’

 

Baars’ gedichten zijn bewogen, vers van het hart maar trefzeker bewerkt. Het zijn ook zoektochten naar het juiste begrip. Soms is Baars daardoor te uitleggerig, zoals in ‘die lengtemaat / is voor niet-natuurkundigen // een mystieke demystificatie.’ Een enkele keer past een metafoor niet, want hoe kun je ‘ankerloos, en schipper’ zijn van een binnenplaats? En de herhalingen hadden íets minder gekund, zoals dat geritsel aan het begin en in ‘ben jij dan mijn terror- / oehoe, oehoe? oehoe- / copycat of oehoe slechts of mens, / oehoetje, van elkaar / vervreemd zijn wij’ (en later nog eens).

 

Hier merk je ook weer dat het taalgebruik speels en liederlijk is. Daar zorgen het rijm en ritme voor, de herhalingen en de verkleinwoorden. In heel de bundel overigens: ‘ik speur doorheen / Je multiversum naar een twinkeling, / zo’n enig knipoogje van Jou, / maar enkel met gesloten ogen / ben ik in al de Jouwe / singulier en hier.’ De poëziestijl sluit aan bij werken als De weg naar Egypte van Gertrude Starink en Engelbewaarder van Michel van der Plas. Het is bezielde poëzie die, om een of andere reden, nog weinig wordt geschreven, maar gelukkig waagde Baars zich eraan en brengt hij deze kwetsbare poëzie tot leven in het heden.

 

Het liefdevolle Binnenplaats is met zijn meerduidigheden, tegenstellingen en omkeringen een diep doordacht en levendig debuut. Ter bevestiging hieronder het titelloze slotgedicht, een van de mooiste gerichte Nederlandse liefdesgedichten die ik ken. Het is, net als het openingsgedicht, nauwelijks voorzien van interpunctie, en zo wordt de liefde verkondigd: in één ademtocht.

 

Lees gedicht

 

wat we begonnen zijn beginnen

we elke dag opnieuw en elke dag

wil ik nog meer opnieuw

 

met jou beginnen.

 

je te kennen is je keer op keer

te leren kennen is je elke dag

weer leren te verliezen en

gekend in jou mijn eindigheid

verwerven in de afstand

van een eeuwigheid

 

met jou. beginnen

 

is de tijd waarin we wonen

niet gegeven, die beginnen

te verlaten en de entropie

omarmen die zich dagelijks

 

met jou beginnen

 

laat. mij in elke dag een ander

samen wenden tot het onvermijdelijke

na waaraan we beiden toebehoren

meer dan aan elkaar

daar telkens voor het eerst

 

met jou beginnen.

Staat er in de aantekeningen tot slot dat de auteur dichter Edwin Fagel bedankt voor diens geloof in Baars’ dichterschap, vraag ik me af: wie gelooft na deze bundel niet in het dichterschap van Joost Baars?

 

Joost Baars, Binnenplaats. Van Oorschot, Amsterdam 2017, 56 blz., €16,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter