Menno van der Beek - jaargang 14, Liter 62, juni 2011

 

VOORZANGER

 

Vlak voor mij is er iemand in de douche

daar waar de wasbak is. En waar de spiegels zijn

tegen de deurtjes van het plastic medicijnkastje

 

onder het gele licht. En hij moet hoesten

met een wit hemd aan. Hij zal bezig blijven

tot hij geschoren is. Waarbij hij zich zal snijden.

 

Het linkerdeurtje klemt. Achter zijn blauwe ogen

staat de aluin, die langzaam roze wordt

 

en waarvoor hij wil zingen, hoofd iets achterover,

het mesje op de keel. Als hij niet alle woorden weet

 

dan maakt hij toch geluid, zonder zijn tong:

wat niet gezegd kan worden wordt gezongen

 

maar ik wil in de douche. Dan houdt hij op met

[hoesten.

 

 

SLOTAKTE

 

U hebt uw lichaam nog. U zit op het terras,

iets onderuit. Uw longen en uw hart willen

met rust gelaten worden, maar u hebt bezoek

 

en het is zomer. En ik vind het lastig

dat u niet rookt. U hebt de blik van iemand

die net verschrikkelijk zijn vingers heeft gebrand.

 

U hebt nog wekenlang te gaan. En u weet ook

dat het niet anders wordt. Ik hoop dat u

 

nog ergens sigaretten hebt. En dat wij dan

misschien, zo gauw het donker wordt, achter de vijver

 

vannacht gloeiende puntjes kunnen zien

en dat u morgen dan bent opgegaan in rook.

 

 

REQUIEM

 

Bezoek de doden: wie op de begraafplaats komt

en in het grind gaat zitten, wordt niet onderbroken

en wie zijn mond kan houden hoort de bomen –

 

als het geen winter is, want dan vallen ze stil

en glimmen ze onaangenaam en zwart

en moedeloos en hard, met weinig te vertellen.

 

De lente helpt niet, want het is geen lente –

als het niet donker is, als je nog niet te laat bent

 

kun je de grafsteen lezen. Als je iets terug zegt

mogen je woorden rustig even blijven hangen.

 

De wortels liggen diep. De capillaire krachten

blijven de hele tijd, terwijl jij zit te wachten

 

het werk doen om straks weer te kunnen ritselen

waar jij dan naar kunt luisteren. Als je hier dan nog

[zit.

Submit to FacebookSubmit to Twitter