door Len Borgdorff, 9 november 2016

 

Spinnenweb © Len Borgdorff

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik graaf een kuil, dan wel, ik schep een hoop zand bij elkaar en vervolgens val ik over de berg in de kuil en er is niemand die het ziet. Teleurgesteld en een heel klein beetje gekwetst kruip ik de kuil weer uit en staar wat beteuterd naar het resultaat. Er is niemand die hierop heeft toegezien. Niemand zag mij aan het werk of zag mij vallen en weer op staan. En als dat wel zo was geweest dan nog zou niemand ook maar op het idee komen om de denken dat daar door dat jongetje iets groots verricht zou zijn, als hij niet voortijdig een einde aan de verwezenlijking van zijn droom had gemaakt. Ik had natuurlijk ook een diepe kuil kunnen graven om daarna wellustig diezelfde kuil weer dicht te gooien. Ook dan zou er niets waargenomen zijn, maar dan had ik nog enig plezier beleefd aan mijn zinloze gedoe. Waarom ik nu ineens het jongetje dat ik ooit was opvoer, dat jongetje dat zo vaak op het strand speelde, weet ik eigenlijk niet. Het komt waarschijnlijk door de regels van Benno Barnard:

 

Je bent een sleutel

waarvan het huis is weggegooid.

 

En door de slotregels van het gedicht waarvan bovenstaande verzen de opening zijn:

 

Jij volgde onze gestrekte hand

naar een huis van zand…

 

Het kan zijn dat ik niet een berg had willen maken, maar een zandkasteel, met doorgangen, wegen en grachten. Dat was meer mijn stijl. Maar het gaat er natuurlijk om dat er een mogelijkheid was en dat er door mijn val niets meer is om daar handen en voeten aan te geven. En ook dat dat er blijkbaar niet toe doet. ‘Alle Bemühen ist umsonst.’

 

Benno Barnard schrijft ergens in een gedicht hoe een spinnenweb in zijn tuin gedichten schrijft. Daarover had ik het willen hebben, niet over zand en sleutels zonder huis. Dat van die spinnenwebben is een mooi beeld, vond ik toen ik het las. Daar kan ik wel wat mee, dacht ik vervolgens. Daar ga ik iets mee doen, bedacht ik daarna. En toen las ik verder. Een streepje in de marge kon er niet vanaf. Ik zou het wel terugvinden. O, o, nog steeds die zelfoverschatting.  Het was wel een erg zoet beeld en zonder meer poëzie van Benno Barnard eromheen zouden die twee regels hem niet helemaal recht doen. Barnard maakt namelijk ook graag kapot wat hij opbouwt. Maar als beeld voor de flow waarin een dichter kan geraken als het lijkt dat de gedichten, als directe uiting van een gepaste drang, zijn wereld kunnen bespannen… Dat mocht ik niet laten liggen.

 

‘Ik heb liever dat je toch weer foto’s bij je stukje zet,’ zei de redacteur. ‘Op plaatjes reageren mensen nu eerder dan op praatjes.’ Nu heb ik ongetwijfeld foto’s van een spinnenweb, maar het leek me beter om de achtertuin in te stappen en er daar eentje te fotograferen. Maar er was er geen. Daarom hees ik me met enige moeite op mijn fiets. Ergens tussen Utrecht en Lage Vuursche zou ongetwijfeld een spinnenweb te vinden zijn. Nada. Wel zag ik hoe tussen Hollandsche Rading en Groenekan over het fietspad aan struiken de lange haren van mijn geliefde het licht van de zon leken te vangen. Maar het bleven losse draden, zonder enig verband, invallen die maar niet tot een gedicht konden komen, en ook niet aanzetten tot een stukje.

 

Nog indrukwekkender dan de losse draden vond ik de glinstering van draden die over het weiland lagen. Vanwege mijn rug moet ik mijn rechterbeen met mijn hand over het zadel tillen om mij van mijn fiets te kunnen bevrijden en ook kon ik amper voorover buigen als ik een foto maak. Waarom doe ik dit allemaal? vroeg ik me af. Voor wie?

 

Thuis ging ik alsnog op zoek naar een foto van een spinnenweb. Dat was dan toch een begin. Daarna pakte ik Tongbotje, de bundel waarin Barnards regel  over de spinnenweb te vinden moet zijn. Ik ben nu een half uur verder en ik geef het op. Onvindbaar. Ik kijk in Krijg nou de lyriek. Niets. Wel lees ik het begin van ‘Pst, Jakob!’ En dat past wel een beetje bij mijn vergeefse pogingen om het stukje te schrijven dat ik had willen schrijven in plaats van dit verhaal van los zand, losse draden en imploderende beelden.

Het spijt mij, Benno.

 

Pst, Jakob!

Lees gedicht

 

Pst, Jakob!

 

Je bent een sleutel

waarvan het huis is weggegooid

De gaten in je mantel liet je achter.

 

Daarin zaten je herscheppingen

van de wereld, die een heimat vervingen –

ze irriteerden ons nog meer dan het concrete

 

van je veel te ingewikkelde eten.

Vroeger lazen we je boeken, gespitst

op de bedoelingen van je profeten

 

als gotische ramen op het licht erboven.

O krankzinnige schitteringen

van zinnen die ons kinderverstand

 

als rook ontstegen!

Nu zijn we Byzantijnse priesters die celebreren

n een kathedraal van luciferhoutjes –

 

en de straten in onze steden

zijn niet voor de muziek van jouw voetstap geplaveid.

Jij volgde onze gestrekte hand

 

naar een huis van zand

(het ritselde tussen je magere vingers)

dat je mocht bouwen op onze schijnheiligheid.

 

Benno Barnard, Krijg nou de lyriek. Gedichten. Uitgerij Atlas, Amsterdam / Antwerpen 20112.

Benno Barnard, Het tongbotje. Gedichten 1981 – 2005, Uitgeverij Atlas, Amsterdam / Antwerpen 2006.

Submit to FacebookSubmit to Twitter