Len Borgdorff - jaargang 14, Liter 62, juni 2011

 

Was het bad een fruitschaal, de man een abrikoos, dan zou niets wezenlijks aan het werk zijn veranderd.

Ileen Montijn (Kunstschrift 3, 1996)

 

STILLEVEN (2008, 2009)

 

I

 

Het eerste fruit alweer.

Een nieuwe rood-en-gele appel

en een gespikkelde peer,

banaan met zwarte vlekjes

hier en daar. Wat noten,

abrikozen, perzik,

kersen. Durven we

bessen, aardbeien, bramen en frambozen aan?

En bedauwde blauwe druiven?

Voorzichtig, voorzichtig maar. Een mandarijn en

doe toch ook nog een citroen.

Geschild, ja, half geschild.

Leg er een mes bij.

 

Dit is heel veel. Teveel

als niet een schaal ons redt,

een grote hand, die al dit fruit

stil leven laat. Neem tijd,

neem alsjeblieft heel ruimde tijd.

 

II

 

Dit is een stilleven

stilleven met fruit.

Schaal met fruit.

Zo heet het. Het is een stilleven.

Geen schets, geen schilderij,

geen foto ook. Het is een stilleven.

Het is het model voor een stilleven.

 

Blijf waar je bent en kijk

hoe abrikoos na kers na peer

verdwijnt in lijnen, ronde vormen

van kleur naar kleurder kleur.

Blijf zitten waar je zit en kijk.

Je kijkt alleen en vindt niets

nergens van.

 

Daar komen eeuwen

schilders langs met al hun namen,

paletten en paletmessen en kwasten,

hun hoofden vol betekenis

of vingers vol met verf. En dichters vol appelwangen,

kersenmonden, amandelogen, pupillen van olijf.

Er komt hier heel wat langs.

 

Maar kijk: als jij hier zitten blijft,

verdwijnen zij. Ze gaan.

En wat er voor je staat

blijft staan.

 

III

 

Het is ontzettend iets wat je hier ziet

en is het wat het is?

De mooie man in bad glanst zacht.

Hij flonkert hier en daar.

Hij is een vrouw half overeind

en zo van vlak en kleurschakering

dat al dat stil gezit van ons

wat pijn begint te doen.

 

Natuur is hier niet dood, maar leeft nog

niet. Dat is: hier is het meeste leven

al geweest terwijl je zat en keek en

man en vrouw van lijnen waren

die door het fruit waren bepaald.

 

Of is het omgekeerd.

 

We hebben niets gezien en zijn

van wat gebeurt de voortreffelijkste getuigen.

 

Wat zie je met je ogen dicht?

 

IV

 

We moeten weg. De man, de vrouw

de appels en de peer en wij. Vooruit.

Dit was het wachten en verwachten, talmen,

en dat gaat voorbij. Nu weg ermee.

De deuren uit, de straten op.

 

Het is de hoogste tijd voor vierkante

metersgrote wandenverslindende woorden

waar elke zaal te klein voor is.

Dus moeten wij hartstochtelijk naar buiten.

 

Met onze lijnen en ons recht op kleuren

die we kennen en onze ronkende vormen.

Dat dauwzachte glanzen waarvan

wij zijn gemaakt. En hoe wij van elkaar gemaakt zijn.

 

Wij wurmen ons vast in het deurgat.

Daar deinst een metafoor, boven balanceert

– dat hij niet valle en niet valt – een beeld.

 

Ergens neemt iemand een hap dat sap

ervan spat. Appels voor appels

en peren en mensen voor mensen.

 

De schaal, de mand, de hand,

het bad, de straat en stad en land.

 

 

WALNOOT AAN ZEE

 

Het mocht na al die avonden

telkens dat rood boven de zee

en van steeds weer anders dat water

wel eens een beetje minder zijn.

 

Ik maakte zwart op wit een schets

in mijn notitieblok

van een walnoot aan zee.

 

Het boekje paste in mijn zak

omdat daar maanden al

je leesbril niet meer zit.

 

 

INDERDAAD

 

Met jou is ook de kanker weg.

Wel staan er schots en scheef, groot klein,

soms oorverdovend onverwacht

adembenemend lege plekken.

Je kamers en je lege kleren, ja,

maar vaker schrik ik van de straat

waardoor je niet meer fietst.

En dat ik wel probeerde of ik jou

kon horen zingen, en even stopte

om zelf te zingen, wist ik niet.

Maar inderdaad: met jou ook is de kanker is weg.

Submit to FacebookSubmit to Twitter