Mart van der Hiele - jaargang 13, Liter 57, maart 2010

 

[I] TEGENSTRIJDIGHEID ALS EXPORTARTIKEL

 

Wij Nederlanders hebben een naam hoog te houden, daar in Rome: als Bataven vormden wij het keurkorps van Caligula, de vleesgeworden waanzin. Als Friese delegatie drongen we bij een sportevenement brutaalweg de skybox binnen om indruk te maken op Nero. Als pelgrims struinden we de kloosters af op zoek naar de beste relikwieën voor de laagste prijs om thuis met prullen te kunnen pronken.

Als halfwas kunstenaars introduceerden we er de landschapsschilderkunst en hingen de bentveughels uit, totdat Clemens XI de kroegen voor ons sloot. We verdedigden, als Zoeaven, de eer van de paus tegen de revolutionaire roodhemden in de negentiende eeuw en lieten als vrijzinnigen in de twintigste meer protestantse invloeden in de Moederkerk toe dan waar ook. We zijn nog steeds met opvallend veel gidsen, genotzoekers en godvruchtigen in de Eeuwige Stad aanwezig. Want wij zijn Nederlanders.

 

[II] DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ARCADIA

 

Wie echt van Rome houdt, leeft thuis in het verre Noorden zijn nostalgie uit. Zo schilderde Nicolaes Berchem aandoenlijk Italianiserende landschapjes die hem helder voor ogen stonden omdat hij er nooit geweest is. Op twee staat de dichter, die een voetreis maakt. Dan komt de eenzame fietser, die in drie etappes (Amsterdam – Bazel, Bazel – Florence en Florence – Assisi – Rome) de tocht volbrengt. Tot slot de treinreiziger. Wie het vliegtuig neemt, telt niet mee. 

 

[III] DE HOLLANDSCHE PRELAAT: HET GEVAL MOLKENBOER

 

‘Rome kwàm. O, ik voel het nog als dien eersten avond van mijn aankomst – in November-ellende van druipenden regen. De lichten van winkels en hooge trams lagen te rillen in de plassen der duistere pleinen; karren daverden langs mij heen; menschen gingen, bezig en onbewust, in haastpas. Voelde dan niemand van die duizenden met mij mee, dat die morsige grond onder onze voeten, die ongezellige huizen om ons heen, de lucht, de zwarte lucht boven ons het heilige Rome was? Rome – dacht ik stil – de stad van den Paus; hier woont de Paus. Daar ergens, achter die straten, woont hij, zit hij in zijn kamer, de Paus, de Paus...’ 

[B.H.Molkenboer O. P., Rome, Amsterdam 1933, blz. 2]

 

[IV] EEN PLEK VAN GEEN BELANG

 

Vandaag beleef ik de eenentachtigste dag na mijn terugkeer en de bundel Een plek van geen belang. Gedichten uit de H. Stad/Hoer van B. is nog niet af. Bedenk bij het lezen: geluk het onvoltooide. En blijf vooral thuis.

 

 

TESTIMONIUM

 

Plekken van geen belang bezocht, zoals

het kribjes- en het vagevuurmuseum.

 

Met diep verloofde nonnen nagepraat.

Toeristenvoer gegeten en betaald.

 

Aan sympathieke duiven opgebiecht.

Gladiatorenoutfit aangeschaft.

 

Straks loop ik zo lang mee dat bedelaars

mij straal negeren. Ben ik kampioen

 

in de gezuiverde verwondering.

 

 

STELLA MARIS

(Anzio)

 

Mij met een rozenkrans geïnstalleerd

(standaardpakket, incl. de vele extra’s).

Gevast, rein opgestaan. En ondanks dat

zit ik nog op de nullijn qua extases.

 

Ergo: de Mare 2 naar Anzio gepakt.

 

Vanaf dit punt gelooft niemand mij meer,

maar als ik uit de kleren in de branding ga

en grond verlies, spoelt er een zwaardvis aan,

die met zijn vin zó in mijn dijbeen snijdt.

 

Ik houd de wond goed schoon en ingevet.

 

Verorber dagelijks zeefruitsalade.

 

 

REISADVIES

 

Als je dan toch de eeuwige toerist

moet zijn in Rome, eerste week van mei,

vergeet het kijkje niet over de heg

bij Pius boer, zijn zonen zus en zo

en zijn kleindochter Pianissima.

Kijk hoe de klaprozen daar staan

(bij duizenden), de hop steekt juist

zijn kuif omhoog en kijk die mieren

eens hun straatje onderhouden!

Natuurlijk is ook hier gepaste kleding

vereist. No flash. En zijn ze ’s middags dicht.

 

Je vindt hen bovengronds de vroegste catacomben.

 

 

LOF DER MARTELAREN

(S. Stefano rotondo)

 

Hun vingers werden stuk voor stuk gebroken.

Hun ogen aan een dunne naald gestoken.

Hun longen vol met vloeibaar lood gegoten.

Hun voeten op een rooster weggebrand.

 

Nu wonen ze langs oevers en in weiden

van madeliefjes, blanke lelies, heiligen.

 

Zij kunnen ons niet zien. Wij kunnen hen niet horen.

Verknocht aan God staan zij zich te vergapen.

 

Wij blijven hun gezichten bestuderen

totdat ze dood zijn. Tot nog lang daarna.

 

 

KWATRIJN VOOR VINCE

(vincentius in pace. vixit vi annos. Inscriptie, S. Agnese fuori le mura)

 

Alleen een verre priester zag de engel die hem

[lokte.

Zijn moeder hield zijn hart vast tot het niet meer

[klopte

en bad dat hij ook bij de Heer bekend stond als

Het Jongetje Dat Tegen Dennenappels Schopte.

 

 

BEKENTENIS

(Opgesteld in Ospedale S. Camillo op 7 augustus 2009)

 

Van mij mag het altijd augustus zijn:

de weinige toeristen hangen slap aan een fontein

of voor de airco in hun klamme bedjes,

alle bedelaars zijn naar het strand

en onze moslimbroeders vieren Ramadan.

Zelfs in het hospitaal hangt een ontspannen sfeer –

de eeuwige verkeersslachtoffers waarbij haast

[geboden is,

zijn opgevolgd door mannen met

[ontwenningskuren.

Al is de zorg niet optimaal (Zusters van Liefde),

drank gaat er wel in. Dus blijf ik bij wat ik hierboven

[zei:

van mij mag het altijd augustus zijn.

Submit to FacebookSubmit to Twitter