Over het urinoir van Duchamp

 

door Mark de Haan, 18 juni 2016

 

Deze zomer blikt Liter terug op het memorabele jaar 1916. Dat doet zij in het themanummer van het tijdschrift Liter, maar ook op de site Leesliter. (tot hier als vaste tekst en daarna:) In deze bijdrage staat Mark de Haan stil bij een urinoir.

 

Ik kan me niet herinneren in welke klas ik zat. Misschien de tweede of de derde. Laten we zeggen dat ik vijftien was toen ik voor het eerst hoorde dat je door een urinoir te kantelen een plaats in het museum kunt verdienen. Op die leeftijd is dat niet te bevatten. Natuurlijk weet je dat kunst meer is dan alleen landschappen en zeegezichten. Je hebt genoeg Appel, Mondriaan en Rothko gezien om te weten dat kunst méér is dan dat. Maar een urinoir. Niet eens door de kunstenaar zelf gemaakt. Dat was heel iets anders. Mijn toenmalige onbegrip behoeft geen verklaring. Wie voor het eerst in zijn leven een gekanteld urinoir in een museum ziet staan, begrijpt dat niet.

 

Voor wie dat onbegrip tot nu toe bespaard is gebleven, een korte omschrijving van het kunstwerk. Fountain is een op de kant gelegd urinoir (de zijde die normaal gezien aan de muur wordt bevestigd, vormt de bodem). Duchamp bewerkte dit urinoir verder niet. Hij nam wel de moeite het te signeren, zij het niet met zijn eigen naam, maar met ‘R. MUTT 1917’. Dit type kunst wordt wel readymade genoemd, wat feitelijk betekent dat de kunstenaar niets hoeft te kunnen, want het werk is al gedaan. Een idee hebben is genoeg.

 

Een veelgehoorde reactie op dit type kunst is dat kan mijn kind ook. Ik heb geen kinderen, toen ik vijftien was ook al niet, maar had ik kinderen gehad, dan zou ik precies hetzelfde hebben gezegd. En ik maak me er sterk voor dat Fountain veel mensen aan hun eigen kinderen doet denken: ofwel mijn kind is mogelijk een genie kijk hoe hij het behang inkleurt, ofwel (en dat is waarschijnlijker) Duchamp is een charlatan en hoort niet thuis in het museum. Beide reacties zijn flauw en onredelijk: kinderen komen met hun zandkastelen en plakwerkjes niet in een museum. (Ook dit is een flauwe reactie, dat besef ik heel goed.)

 

Met het verstrijken van de jaren kijk je weleens een boek in, ontmoet je mensen met een mening, ga je eens over de grens (geografisch, moreel, gevoelsmatig). En zie: je stelt je mening bij. Fountain is niet langer eenvoudig prutswerk dat in de kleuterklas nog op een onvoldoende kon rekenen. Fountain hoort wel in het museum thuis. Hier moet ik overigens gelijk vermelden dat deze ontwikkeling maar één kant op gaat. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die vond dat Duchamp met Fountain iets briljants heeft neergezet, om daarna tot de conclusie te komen dat het waardeloze troep is.

 

Ik moet denken aan witlof. Kinderen houden niet van witlof en ik háátte het als kind. Veel te bitter van smaak en de structuur deugde ook niet. Naarmate ik ouder werd veranderde mijn mening over de smaak en structuur van witlof en nu vind ik het lekker, vooral als het in een frisse salade is verwerkt. Ik ben niet de enige die zo’n smaakontwikkeling doormaakt (op de plaats van witlof mag u iets anders invullen).


Iets soortgelijks gebeurt bij Duchamp. Zonder Duchamps Fountain tot louter een smaakkwestie te willen terugbrengen, ben ik ervan overtuigd dat deze vergelijking aardig opgaat. Je wordt geboren, op de middelbare school voeren ze je Duchamp, je lust het niet, je bezoekt in je latere leven wat musea waar je hem weer tegenkomt, nu lust je hem wel. Sommige mensen zullen hem nooit lusten, maar de groep die hem wel waardeert, is simpelweg te groot om te negeren.

 

Hoe komt dit nu? Hoe komt het dat zo veel mensen vroeg in hun leven sterk voelen dat Duchamp een bedrieger is (een slimme zakenman op zijn best), terwijl zij later in hun leven tot de conclusie komen dat hij met Fountain iets belangrijks heeft gedaan? Zijn zij redelijker geworden?


We hoeven maar even te luisteren naar de bekeerlingen (in reactie op hun eerdere ik gebruiken zij argumenten als je moet er maar op komen en hij was de eerste) om te begrijpen dat hun bekering met redelijkheid niets heeft uit te staan: niet iedereen die ergens op komt of de eerste is verdient een plaats in het museum. Dan zouden al onze huizen en bedrijfspanden, kerken en moskeeën, treinstations en tramhaltes, stadions en concertzalen musea zijn. Alles behalve de musea zelf zou een museum  zijn.

 

Gek genoeg is deze laatste gevolgtrekking waar het werk van Duchamp op uitdraait. Niet omdat hij op iets is gekomen en niet omdat hij de eerste was, al werkte dat allemaal niet in zijn nadeel. De rechtvaardiging voor zijn succes ligt in het gegeven dat hij met Fountain een heel nieuw hoofdstuk opent in het boek over de verhouding tussen kunst en werkelijkheid.


Tot 1917 was kunst in hoofdzaak gericht op imitatie van de werkelijkheid. Er was steeds sprake van beeld en afgebeelde, waardoor werkelijkheid en kunst op enigszins gespannen voet met elkaar stonden. Die spanning vond zijn hoogtepunt in 1916, toen het dadaïsme in Zürich een aanvang nam. Kunst was absurd en zaaide verwarring, maar was nog steeds afgeleide van de werkelijkheid. Tot 1917. Want in 1917 was daar Duchamp met Fountain. En Fountain is geen afgeleide van de werkelijkheid. Fountain IS de werkelijkheid. De werkelijkheid is hiermee tot kunst verheven. Dat impliceert dat alles kunst is, behalve de kunstwerken die in de musea hangen. Dat zijn maar afgeleiden.

Submit to FacebookSubmit to Twitter