door Suzanne van Putten, 7 december 2015 

 

Meer dan wat ook is Dood werk een worsteling. Maarten van der Graaff, die met zijn debuut Vluchtautogedichten (2013; eerder door Liter besproken) de C. Buddingh’-prijs won, zoekt en raakt niet uitgezocht. Hij zoekt naar vormen, naar een stem, naar stijl en naar eigenheid – en dat op een ijzersterke en tegelijk kwetsbare manier. Dood werk is geen typisch sierlijke bundel; de cover heeft een goedkope uitstraling die een typemachine-uitdraai lijkt te imiteren.  De poëzie is eerder rauw, zinloosheid uitstralend – en de zoektocht daaruit –, dan elegant. Het is de ‘taal van de murwheid./ Bevroren in het maanlicht, zichzelf genoeg’. Het is juist deze rauwheid die mij met een bewonderende blik de bundel doorloodst.

 

 

Bij het zien van de cover laat ik mijn interpretatie de vrije loop. Ik krijg de indruk dat Van der Graaff zijn werk als ‘Dood werk’ beoordeelt. Onder zijn naam staat, als titel van een gedicht, ‘Dood werk’. Ook de inhoud van het gedicht is ‘Dood werk’. En zoals op een geheim document diagonaal ‘vertrouwelijk’ of op een afgewezen aanvraag ‘geweigerd’ wordt gestempeld, draagt deze hele bundel het oordeel ‘Dood werk’. De omslag maakt me nieuwsgierig naar de inhoud ervan. Van der Graaff lijkt er alles aan te doen om de lezer afstand te laten nemen van zijn werk; iets dat dood is, daar wil je niets mee te maken hebben.

 

De nieuwe bundel van Van der Graaff bestaat uit twee bijzondere dichtvormen: geklokte gedichten in de tweede helft, terwijl de eerste helft uit lijsten bestaat met titels als ‘Lijst met bedekkingen’; ‘Lijst met verschijningen’; ‘Lijst met jou’. De lijsten zijn een veilige, duidelijke vorm die het mogelijk lijken te maken om alle andere zekerheden te kunnen bevragen. Dat doet Van der Graaff dan ook:

 

[…]

Mijn stijl is van mij doordrenkt,

heeft alle onechtheid opgenomen.

Omdat mijn stijl mij niet kan verslaan,

wordt ik erdoor opgegeten.

Nu de kunst mij opeet

zoek ik de achterdeur of de binnenzak

van dat lichaam.

[…]

 

Van der Graaff noemt de twee gebruikte dichtvormen in een interview ook een lege vorm, ‘die gevuld kan worden en een schrijfproces aanzwengelt.’

 

Uit de bundel spreekt een sterk ongenoegen met wat was en wat is. De ik-persoon onderneemt zijn zoektocht naar een stem en een stijl niet voor niets. De vrienden van de ik-persoon zijn ‘obscene diamanten van de kenniseconomie’, doordrenkt met schuldgevoel. Hij spreekt tegen het kapitalisme waarin er geen keuze is (‘of je moet de keuze tussen joggen / en eten bij McDonalds een keuze vinden’) en tegen eenzaamheid (‘Ik kloon een gedicht. / Ik schrijf twee keer precies / hetzelfde gedicht. / Ik verzet mij dus tegen eenzaamheid’).

 

Uit de bundel spreekt een lamlendigheid, een zinloosheid die ik niet snel van me af weet te schudden. Tegelijk is daar ook die onvrede, het protest en het niet vervreemd willen zijn van de wereld. De ik-persoon wil anderen aan zich binden in ‘de nauwelijks verlichte ruimte / tot wij in elkaar geloven’, en vraagt zich af, op een andere plek: ‘Welke oefeningen zou ik kunnen doen/ met poëzie. […] / Niet om mensen van me te vervreemden,/ maar om ze op bijtafstand te brengen. / Gaten in de aarde. Gaten in mijn lichaam. / Gaten in het woud, waar wij samenkomen / en erkennen dat er iets mist.’  Van der Graaff dicht op een manier die niet toelaat dat je er van een afstandje naar kijkt en daar instemmend of afwijzend oordeelt; de poëzie trekt me mee.

 

Lijst met civiele liederen

Lees gedicht

 

Lijst met civiele liederen

 

[…]

 

Opeens begrijp ik dat ik niet op de toekomst wacht

en dat ik wegging bij God,

mijn familie, de ziel die in mij huisde.

Wat registreer ik?

Geen heimwee of dromen van thuis,

maar suizeling, woede, dode politiek.

Ik haat dit verminkte en ik haat de toekomst.

Ik ben een minerale waarheid,

omringt door zusters en broeders.

 

[…]

 

Maarten van der Graaff

Uit bovenstaand gedicht spreekt niet enkel een geduldig wachten of een lijdzaam neerzitten bij de akelige realiteit van leegte. Integendeel, de gedichten spreken van ‘suizeling’ en van woede; de poëzie bevat felle emoties. Er is ook sprake van een vertrek: hij gaat weg bij de God van zijn jeugd, die echter zijn sporen nalaat in de poëzie. Dat is bijvoorbeeld ook het geval wanneer hij als de Hooglied-dichter spreekt over de bruidegom: ‘Mijn bruidegom komt over het fietspad. / Mijn bruidegom komt door het bos. / Hij zal naast mij komen liggen, / mij aankijken met zijn ogen.’

 

Ik krijg het gevoel in het hoofd van de dichter te kijken. Dát je mensen in teksten kunt leren kennen, geeft de ik-persoon zelf aan: ‘Ergens, in een gedicht, / een artikel, of een gesprek / leerde ik een uitwisselingsstudent kennen / […]’. Een dichter ‘drukt zijn vaten en vezels op papier’. Met name de geklokte gedichten creëren door hun vorm een sterke intimiteit tussen dichter en lezer. Van der Graaff licht de gedichten als volgt toe:

 

Twaalfde geklokte gedicht, waarin ik het uitleg

 

16.24 Hoe maak je een geklokt gedicht?

            Kijk op de klok. Noteer de tijd.

16.25 Schrijf een gedicht.

            Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen

            moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.

            Als je naar de wc moet of naar buiten wil

            is het gedicht af.

Verander er niets meer aan (of bijna niets).

Doe dit de dag erna weer.

[…]

 

De klokgedichten wekken de suggestie dat je als lezer van minuut tot minuut weet wat de dichter denkt, dat je bij het proces van creatie aanwezig bent. Het leverde mij soms een oncomfortabele rol op: ik zou misschien liever afstand nemen dan zozeer betrokken te zijn bij het zelfonderzoek van de dichter. Maar het is ook een rol die je dicht bij, of misschien zelfs wel in de krachtige poëzie van een wonderlijk dichter brengt. Dat gevoel blijft de boventoon voeren.

 

Maarten van der Graaff, Dood werk. Atlas Contact, Amsterdam 2015, 53 blz., €19,99.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter