De man die ronddobberde in melancholie

 

door Ruben Hofma, 2 september 2015

 

In zijn vierde dichtbundel creëert Victor Schiferli het portret van een man, ‘de man van vroeger’. Die naamgeving – een andere naam dan deze krijgt de man niet – bekt prettig en roept vragen op. Wie is hij en van welk verleden spreekt zijn naam? In elk geval is hij intens negatief van aard, communiceert hij soms met de verteller die zich verder op de achtergrond houdt en wordt de man, allang volwassen aan het begin, steeds ouder in de bundel. Is er ook een vrouw van vroeger? Nee, de vrouw ontbreekt. Wat doet de man van vroeger ertoe; waarom schreef Schiferli 39 gedichten over hem? Een gedetailleerd portret maak je om iemand te kunnen blijven zien, om niet te vergeten. Dat lijkt precies de wens te zijn van de man van vroeger en het doel van Schiferli met De man van vroeger.

 

 

 

Elk gedicht bestaat uit vijf strofen van drie min of meer even lange regels. De consequentie is, net als bij andere klassieke dichtvormen, dat de schrijver tamelijk ondergeschikt is aan zijn maaksel. Relatief is er ook minder gepieker over wanneer het gedicht af is. Of Schiferli’s consequente tekstopbouw er de oorzaak van is, durf ik niet te stellen, maar enige gemakzuchtigheid is te bespeuren in de bundel De man van vroeger. Zo staat clichématig geschreven: ‘Vroeger is een afgesloten hoofdstuk’. Elders dreigt de man van vroeger van stemming te veranderen terwijl regen op komst is, dan schrijft Schiferli te flauw: ‘Je voelt de bui hangen.’ Jammerlijk zijn ook het opsommerige karakter van en de spreektaal in enkele gedichten.

 

Een reeks aardige foto’s neemt deel aan het verhaal waaruit het portret bestaat. Schiferli schoot ze zelf. Op de foto’s zijn nagenoeg lege omgevingen of achtergelaten objecten te zien, zoals een verregende plastic tas op de stoep en twee honden verlangend wachtend achter een raam. De foto’s roepen een sfeer op van verlatenheid en verlorenheid. Ik krijg het idee dat ze zijn bedoeld om het gezichtspunt of gevoel van de man van vroeger zichtbaar te maken. De foto’s maken de bundel ietwat rommelig, maar ze versterken de sfeer die de man van vroeger oproept met zijn gedrag en uitspraken in de gedichten.

 

De man van vroeger komt in veel passages voor als een keiharde, zwartgallige en zwijgzame man. In zijn optiek is het leven zo goed als zinloos en bestaat schoonheid feitelijk niet. De verteller brengt daar niets tegenin. Herhaaldelijk laat de man van vroeger weten dat het einde van de wereld nabij is. Het eerste gedicht zet de toon met ‘De man die eieren in de tuin verstopte, / zo goed dat niemand ze terugvond. // Hij zegt: kinderen zijn niet zo leuk.’ Let op de suggestiviteit van de eieren; bij wat een spel is voor kinderen, denkt deze man doodserieus aan het idee de voortplanting te stoppen. Het gedicht sluit zo: ‘ergens in de holte van zijn jaszak / draait zijn hand zich om en om.’ Het woord ‘ergens’ maakt van de jaszakholte een immense diepte en van de gefrustreerde, draaiende hand een onbereikbare hand voor wie hem had willen beetpakken.

 

Schiferli noteert het mooi als hij zijn personage zeurend opvoert over mensen die het beter weten: ‘Probeer de zee eens te beschrijven / als je erin ronddobbert, zegt hij, / als je het begin en einde niet ziet.’ Wie is er nu betweter? Het beeld bij de gebiedende wijs van de man geeft je een gevoel van gedoemdheid. Maar wat hij zegt is niet alleen een opdracht, ook een smeekbede. De man ventileert hier hoe hij zich voelt – hij dobbert rond in iets wat niet te overzien is, hij dobbert rond in melancholie – en vraagt om medeleven. De man heeft last van een existentieel probleem; niets heeft zin en toch is er het leven. Eigenlijk is de man van vroeger een meelijwekkend figuur. Daar heeft Schiferli een gedicht bij geschreven: ‘De man van vroeger eet geen kiezelstenen’.

 

De man van vroeger eet geen kiezelstenen

Lees gedicht

 

De man van vroeger eet geen kiezelstenen

 

Het enige goede metafysische dieet
bestaat uit louter kiezelstenen waar
de mens vergeefs op tracht te bijten,

 

zegt de man van vroeger in
een zeldzaam sikkeneurige bui.
Zelf eet hij nooit kiezelstenen.

 

Zijn gebit is hem heilig, zoals
heel zijn lichaam een tempel is.
Tempel in een zielloos universum,

 

zandkorrel in een zwarte oceaan.
Daar moet je niet bij stilstaan,
zoals je er al fietsende ook niet

 

aan denkt overeind te blijven.
En niets behoeft ooit medelijden.
En troost brengt je nergens.

 

Victor Schiferli

Hoewel het bestaan deze man zinloos voorkomt, wil hij wel herinnerd worden. Dat is iets tegenstrijdigs, want waarom zou dat wél zin hebben? Maar ook die tegenstrijdigheid valt te verklaren. Waarschijnlijk heeft de man last van de waan boven iedereen te staan – betweterigheid – zoals de suggestie is in ‘De man van vroeger leeft voort’: ‘[…] herinnerd, / met de gedachte aan zijn woorden, // het idee dat zijn ziel voortleeft, al is het / maar als een roerloze pad bij de sloot, / een mysticus voor wie het weten wil.’ Die waan maakt de man ongrijpbaar, wat het lastig maakt hem goed te herinneren. Schiferli komt met deze bundel zijn man van vroeger tegemoet. De man van vroeger is nu in herinnering geschreven.

 

Soms maakt Schiferli een prachtige bewering, zoals de meervoudig interpreteerbare regel ‘Een gedicht weerkaatst iemands blik.’ De definitie van poëzie die Schiferli zijn man van vroeger laat uitspreken, is misschien nog mooier: ‘dat zwembad van ongehoorde kreten’. Fragmenten als deze maken De man van vroeger een aardige dichtbundel met enkele prachtige uitschieters. Het is een gedetailleerd portret geworden en steeds als deze gedichten gelezen worden, wordt die man van vroeger herinnerd, al is het maar als een schaduw op een foto.

 

Victor Schiferli, De man van vroeger. Arbeiderspers, Amsterdam 2015, 64 blz., €18,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter