Niets blijft als we iets maken van niets

 

door Ruben Hofma, 25 juni 2015

 

Een tekening (Untitled, 2006) van Nik Christensen siert het omslag van de bundel Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd van Robert Anker. Een zwart beest met ezelskop (deze figureert in meer kunstwerken van Christensen) of een haas, zoals Anker het waagt te noemen in een gedicht, zit op een hoog punt bij een vlakte alsof het wacht op iets in het uitzicht. Het beest – er is geen andere goede, geen beschaafde benaming voor – doet denken aan de duistere Frank uit de filmklassieker Donnie Darko, die het hoofdpersonage in zijn macht houdt, van zijn gezonde verstand berooft en kwaadaardige opdrachten geeft. Je wordt er wellicht een beetje onrustig van.

 

 

Dan ben je klaar voor de inhoud, want er blijkt veel onrust in deze prozaïsche dichtbundel opgeborgen. Persoonlijke onrust die typerend is voor deze tijd en die zich prima leent voor poëzie; onrust als gevolg van een grondig willen kennen van het zelf, het hart, het zijn en van wat een mens aan moet met dat zelf. In deze bundel luisteren de gespitste oren van het vreemde beest naar de hersenen, maar die vertellen natuurlijk niets, die laten de oren alleen maar luisteren, naar de hersenen dus. Zo ongrijpbaar is het zelf. Het vormt een van de onderbuikgevoelens die Anker te midden van de onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd aan je overdraagt.

 

De bundel opent met het abstracte gedicht ‘Nachtvangst’ waaraan je blijft haken: ‘Omdat er geen enkele reden is / Om af te dalen doen wij dat omdat / Er altijd een reden is dat iets bestaat / Als we het gevonden hebben en gemaakt.’ Na lang peinzen geloof ik dat hier bedoeld wordt een uitpluizing van jezelf – maar het kan evengoed iets anders zijn, bijvoorbeeld zingeving of geluk – waar je vervolgens niets vindt maar toch iets vindt nadat je, als scheppend wezen, van dat niets iets hebt gemaakt. Dat dat bestaat, heeft een reden. Waarom hebben wij ons zelf bedacht? Waarom zijn wij zozeer in ons zelf geïnteresseerd dat het zelfonderzoek zo regelmatig in boeken, in poëzie, opduikt? Wellicht omdat we ongemerkt onszelf bezien met de oordelende ogen van andere mensen. Dat laat het bundelgedicht ‘Waarom doe je het niet zelf?’ (ook te vinden bij de Bibliotheek der Nederlandse Letteren, zie hier), me vermoeden.

 

Mooie poëzie zijn de regels van ‘Nachtvangst’ niet. Een groot deel van de bundel gaat onder onfraaie taal gebukt, waaronder delen van de reeks ‘Het lege hart’, waarin dwangrijm en weinigzeggende tekst zijn inbegrepen: ‘Hij gelooft niet snel in prietpraat / Maar vooral wat hij ziet, jouw staat / Een hart is leeg of gevuld / Dat is de kwestie, uitgeluld’. Ook komen enkele afwijkingen van grammatica en vreemde opvolgingen van zinnen voor. Dat is op zich niet erg en het is een van Ankers poëziegebruiken, maar dit is lelijk: ‘Zij komen bij een brug die niet bestaat / Bijvoorbeeld Jezus was geen brug maar overkant / Snap je het nou? Ik zal je zijnsman zijn’. Zo zijn er meer vervelende elementen. Ankers gedichten lijken zeer vrij te ontstaan, gelet op de prozaïsche vorm en buitenkant en de tamelijk herkenbare opeenvolgingen van gedachten. Ik geloof dat een strakker regime zijn poëzie minder vrijblijvend zou maken.

 

Anker toont ook wel tot welke intrigerende poëzie hij in staat is, in onder meer de diepgaande reeks ‘Bergense uitzichten’ (klik hier), in de nieuwe bundel opgenomen, over zijn zelf. Anker schreef deze reeks toen hij zich afzonderde in het Roland Holst-huis, waarin regelmatig literatoren mogen verblijven. In de reeks staat een leegte centraal, misschien de leegte die zich laat voelen nadat je ontdekt dat je met je zelf niets kunt, dat je er alleen maar onbekommerd mee kunt leven. ‘Want een dier weet altijd waar hij is en wat er om hem heen is / Dat is voldoende terwijl mijn denken uit zijn sluimer ongedacht / Iets wekt wat duren wil, waarin ik thuis ben, al was het maar / De late middagzon op straat, […]’, schrijft Anker in ‘Dat ben ik’, en hij sluit berustend af met ‘Dat kan ik weten: dat ben ik, een leegte die gevuld is met aanwezigheid.’ Eenzelfde soort berusting jaagt hij na in het gedicht ‘De Tweede Man’.

 

De tweede man

Lees gedicht

 

De tweede man

 

Wat is een gedachte waard als ze de taal net niet heeft bereikt

Behalve dat ze je meehelpt te zijn wie je bent, de tweede man

Die ontstond toen je ging nadenken over de eerste die we doorgaans

Ons zelf noemen, en als gestalte pas na de jeugd tegenover je

(En wie is dan je?) kwam staan, en toen dus de gewaarwording

Van een tweede, geen schim op de rand van de slaap of verschijning

In een ooghoekseconde maar een aangestraald zijn, nee, een voltage

Nee, een wemeling, een bron - maar even machtig als ongrijpbaar

Iemand die bijvoorbeeld je historische persoon, die zo goed zichtbaar

Is voor anderen, in de armen van je vrouw heeft gedreven, jawel

De ongevormde tweede, zo gevoelig voor lichtval en geuren, voor

De wind die opsteekt of gaat liggen in het riet, hij is het die

Zoveel voor jou beslist heeft, nu weer dat je voor dit uitzicht

Zit en dat het lijkt of hij in de aanblik van de waaiende bomen

De jagende wolken, het buigende riet een gedachte loslaat

Als: ik pak de fiets en rij weg uit mezelf, of als wat hier staat

Of: sta op van dit papier, omhels je vrouw, haar ongedachte lijf.

 

Robert Anker

In Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd vindt Anker soms berusting, maar kan hij die toestand niet vasthouden. Daarmee reflecteert hij op de mens, een onrustig wezen met vluchtige verlangens en opgefokt door invloeden en driften. Op een bepaald niveau kan zelfs de werkelijkheid ons niet sussen. Zodoende maken wij ons schuldig, schrijft Anker in ‘Normaal’, en worden we gestraft. Die gedachte gaat ver, maar het resultaat is poëzie in topvorm.

 

Normaal

Lees gedicht

 

Normaal

 

Ons zich voltrekkende leven was een belediging
voor het in de samenleving zo ruimschoots voorhanden
gezonde verstand dat ons altijd had voorgehouden
dat alles NORMAAL was, de verschrikkelijke lente
die alles weer oprakelt, de vredige herfst die alles
weer ongedaan maakt – gewoon de seizoenen, NORMAAL
zoals het ook normaal is dat ons leven zich bij het omzien
met de lichtsnelheid van ons verwijderd heeft
in het heelal van ons verleden en datzelfde leven
voor onze ogen krimpt naar de toekomst, ja
onze levensweg was vol met stoplichten, inrijverboden
wegversmallingen, omleidingen, maar dat is NORMAAL
daar moeten wij mee leren leven en nee, er is geen
aankomst of bestemming, noem het een afgrond
maar wat schiet je daarmee op, het gezonde verstand
dat, wij herhalen, zo ruimschoots voorhanden is
dat je het niet kunt missen, noemt dat ‘ongezellig’
er is zoveel moois om van te genieten, het gezonde
verstand noemt onze houding daarom ‘ondankbaar’
en inderdaad, onze levensweg was een belediging
voor de werkelijkheid en ja, dat is een schuld
die wij op ons geladen hebben en de straf is
dat wij niet gelukkig zijn geweest.

 

Robert Anker

Afgezien van de clichématige levensweg halverwege, is dit een mooi, heerlijk ritmisch gedicht waarmee Anker ons laat beseffen waar het misgaat en dat het onvermijdelijk is dat het misgaat. Blijkbaar zit ons gezonde verstand ons in de weg; het bedenkt wat normaal is, welke normen en waarden nastrevenswaardig zijn. Terwijl we daar bewust mee bezig zijn, merken we allerlei problemen op, die ons vervolgens op hun beurt bezighouden. Maar waar zijn we zonder ons gezonde verstand? Daarover gaat Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd niet. Deze bundel is de moeite waard door de reflectie en de filosofische onderstromen – Wat is het zelf? In hoeverre kunnen wij van niets iets maken? -  maar voor antwoorden op de vragen die in deze gedichten verborgen liggen, zijn er andere boeken. En voor mooie poëtische taal kun je beter andere poëziebundels lezen, zoals Heimwee naar, Ankers bundel uit 2006, vol taalverrassingen en zangerigheid die in de recentste dichtbundel ontbreken.

 

Robert Anker, Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd. Querido, Amsterdam 2015, 88 blz., €17,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter