Poëziedagboek 

 

door Benno Barnard, 21 april 2015

 

Na zijn persoonlijke notities in Dagboek van een landjonker (Atlas, 2013) vervolgt Benno Barnard hier zijn aantekeningen, de eerste aflevering op Leesliter en later dit jaar zowel online als in de papieren Liter. In geheel eigen stijl komt de volledige werkelijkheid van deze in België residerende Europeaan in alle bevlogenheid aan de orde.

 

Lees essay

 

Het geslepen potlood

 

Een kleurloze middag
Waarom klamp ik me toch zo vast aan vorm, in het leven, in de dichtkunst? Zo ben ik in mijn vriendenkring de apologeet van het huwelijk, verzin daar de krijgshaftigste morele argumenten voor, maar de waarheid is dat ik een Joy zonder trouwring en gemeenschappelijk belastingformulier onder de bomen zie verdwijnen (die bomen zijn metaforisch). Ik ben voor de vrijheid maar tegen de vrijblijvendheid. En daarbij komt mijn gevoel voor hiërarchie, dat zich uitstrekt tot de woordenschat: huwelijksbed is superieur aan bed, vrouw aan vriendin, trouwen aan hokken, enfin, u kunt het zo reactionair niet bedenken.
O vormhouvast! Zeg maar houvast tout court.

 

Drie minuten later
Ik bezondig me aan rijm en boet voor die zonde in de Anglicaanse kerk.

 

Theetijd
Laat ik er dit over Charlie Hebdo zeggen, bij het inschenken van een kopje thee voor mijzelf, want er is niemand anders (deze thee is niet-metaforisch): ik heb het altijd een blaadje voor pubers van een of andere atheïstische Zwarte Hand gevonden, met grappen over nonnen waar ik me als twaalfjarige al voor geschaamd zou hebben, slecht getekend, slecht geschreven, weg ermee!
Maar natuurlijk niet weg op deze manier.
Ik blader lusteloos in een paar boeken. Gottfried Benn, die zich zo deerlijk in zijn politieke keuze vergist heeft – een goede slijpsteen voor mijn mes, dat ik zo graag in een hart zou willen steken. Probleme der Lyrik uit 1951, een heel geschikt boek, want zoals ik hierboven al heb aangetoond zijn poëtische kwesties existentiële kwesties... blader, blader... hier: ‘Das siebenköpfige Tier aus dem Meer und das zweihörnige aus der Erde war immer da.’ Steek! Houw! Voorzichtig trek ik mijn druipende mes uit het hart van het obscurantisme...

 

Daags nadien (zou ik grauwe wolken ‘hemelse hangjongeren’ durven noemen? Hum, nee... maar wanneer precies gaat de kitsch in de dichtregel over?)
De onvermoeibare Rilke zegt natuurlijk dit: ‘Wer spricht von Siegen? Überstehn ist alles.’ Ja, Rainer, maar daarvoor heb je vorm nodig, zoals jij beter dan alle modernisten begreep.

 

Januari (duurt driehonderd dagen)
Herinneringen aan december.
De jury van de P.C. Hooftprijs was gecharmeerd ‘door de eigenzinnige manier waarop Brassinga de taal zelf vernieuwt: “De taal wordt omgekeerd, uitgekleed en weer opnieuw uitgedost totdat alle registers die er ooit in voorgekomen zijn, weer meedoen.”
Deze kletskoek haal ik uit een persbericht. Zodra het woord ‘eigenzinnig’ valt, kun je er vergif op innemen dat er een academisch geschoold iemand aan het woord is. Heruitgedoste taalregisters? Waarom zegt hij of zij niet gewoon dat Brassinga goede gedichten heeft geschreven?
Ik heb sowieso bedenkingen bij de voorkeur voor wartaalalchemisten als Hans Verhagen of Tonnus Oosterhoff, de vorige winnaars. Die prijs had volgens mij al jaren naar Willem van Toorn (haast tachtig) moeten gaan. Of anders naar Hans Tentije (ook al zeventig).
Samuel Vriezen schreef op Facebook (werd mij gemeld): ‘Tijd voor een nieuwe culturele prijs: de Vergulde Boerenlul. Voor de bekende Nederlander die in het jaar het minst onder de indruk is geweest van een artistieke of intellectuele prestatie. De eerste Vergulde Boerenlul gaat dan bijvoorbeeld naar culinair journaliste Sylvia Witteman, voor het niet onder de indruk zijn van het verzameld werk van PC Hooftprijswinnaar Tonnus Oosterhoff.’
Mag ik de tweede winnen, Samuel? Ik ben ook niet zo onder de indruk van de verzamelde Oosterhoff.
Verdere gebeurtenissen in de republiek der letteren zijn aan mij voorbijgetrokken als een stoet kabouters.

 

287 januari (overdag is het lichtgrijs,’s nachts donkergrijs)
Nee, dat is niet waar.
Jan van der Hoeven overleed in december. Een aardige man zo te zien op de foto. 1929-2014: ik heb dus ruimschoots de tijd gehad hem te ontmoeten, maar dat is nooit gebeurd. Ik vermoed dat hij niet meer optrad. De krant prijst hem als ‘een van de experimentele dichters die onze taal op een uitgesproken artistieke en literaire wijze hebben verrijkt. Zijn stijl is surreëel getint en minimalistisch virtuoos’.
Weer die pandemische bewondering voor ‘het experiment’. Ik blader in Hotel New Flandres en vind vier gedichten van de dode Jan; het jongste dateert uit 1995 en heet ‘Beeld’:

 

Maak mij uit mijn
haken, til mij in mijn
blijde beitels
zwaarder is geen water
dan dit reiken
hoe mij gegoten staat
de lijn waar ik gedij
die richt de ruimte
van dit schijnen
schrijvend in dit brons en
likkend aan een lijf
in weer een beeld
herboren.

 

Ik kijk door het raam: aan de horizon zie ik nog net de kont van de laatste kabouter, op weg naar het land Vergetelheid. 

 

Vrijdag
Grappen in mails met Hester Knibbe, met wie ik aan het corresponderen ben geslagen. We hebben het over onze gemeenschappelijk vriend Luuk Gruwez, die een presentatie organiseert rond zijn nieuwe dichtbundel. De dichteres schrijft: ‘In maart gaan we Luuk veren in oren en neusgaten steken! Voor die in z'n kont zorgt hij zelf maar.’ Ik antwoord in hexameters:

 

Ons is het voorrecht beschoren, o pythia onder de vrouwen,
Veren te steken in Luuk, een poweet onder kalende pauwen.
Dactyli schrijf ik met rozige vingers, maar o wat een flauwe...
Thans werp ik u nog een kus toe, al zal ik mijn ondeugd berouwen.

 

Een fruitmesje in het hart van het postmodernisme.

 

Weekend (onvermoeibare regen)
In de laatste Poëziekrant van vorig jaar verwijt een recensent Karel Sergen dat hij in een bepaald gedicht aarzelt tussen de jambe en de anapest. Dat is natuurlijk een onbetamelijke aanslag op de vorm, dus ik zou instemmend moeten knikken. Maar onmiddellijk schiet de Britse cavalerie in de persoon van W.H. Auden mij te hulp... Wat schalt de trompet? De openingsregels van zijn grootse gedicht ‘September 1, 1939’, die uit jamben en anapesten bestaan:

 

I sit in one of the dives
On fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
[...]

 

Door mij in Nee, Plato, nee (een bij Meulenhoff in 2009 verschenen keuze, vertaald door Huub Beurskens, Wiel Kusters en mijzelf) weergegeven als

 

Ik zit in een of andere bar
Aan de Tweeënvijftigste Straat
In angst en onzekerheid
Nu de handige hoop is vergaan
[...]

 

Niet volledig identiek, wat onmogelijk was, en bovendien is het gedicht gebouwd op onregelmatig eindrijm en spreektaalenjambement. Maar toch een mengeling van jamben en anapesten, nietwaar. U moet begrijpen dat er een hemelsbreed verschil bestaat tussen de vorm als mechanische herhaling van oude voorschriften (zoals in het metrum) en de vorm die je zelf ontwerpt, gebruikmakend van de overlevering naar het je uitkomt. Dat recht heb je als je meester bent van het vers. Wie een klassiek Petrarcaans sonnet kan schrijven, mag een onklassiek sonnet schrijven. Wie weet dat hij niet in het decolleté van zijn tafeldame behoort te gluren, mag de diepte ervan peilen.  

 

Februari
Een week op bezoek geweest bij mijn oude vriend in Clarens, een dorp bij Montreux, vanuit wiens huis ik dagelijks het Meer van Genève kon bewonderen, dat nu eens blauw en verleidelijk was, met witte bootjes en ‘s avonds de lichtjes in de dorpen aan de overkant, dan weer zwart en dreigend, tot er plotseling een plas zonlicht op viel die door het water leek te worden gemengd als goudverf.
Veel regen helaas; af en toe sneeuw, waardoorheen we een tocht hebben gemaakt naar het kasteeltje in Muzot, niet veel meer dan een toren, waar Rilke de laatste jaren van zijn leven heeft gewoond, samen met de moeder van Balthus, en op kosten van de hoogst bemiddelde Werner Reinhart – o tijd, o zeden, waarom vergunt gij mij geen mecenas?! Het bouwseltje was privé bewoond, zodat ik alleen de buitenkant heb kunnen zien. Ik heb er – baldadige jongen – een sneeuwbal tegenaan gegooid, onder het roepen van ‘Hoi, Rainer!’, om toch maar met hem te communiceren. Dit was in het kanton Valais/Wallis, dat ik ervoer als één lang oppressief dal, onder een duister, verpletterend wolkendek.
Hij ligt twintig kilometer verderop begraven in Raron, achter de Burgkirche, een dorpskerk op een rots, met een ringmuur; ligging en architectuur herinnerden sterk aan een bekend schilderij van Magritte, en het zou me niet echt verbaasd hebben als de rots met burchtkerk en al was gaan zweven. Het moet à propos het enige graf ter wereld zijn waarvan ik bij voorbaat wist wat ik erop zou lezen, over de roos die een loutere paradox is namelijk. (Nee, zoekt u het zelf maar op.)
Helmuth Kohl was de dichter ook komen bezoeken, zo bleek uit een bordje, in 1989 notabene. Geen proleet, deze Bondskanselier, hoe hard links ook op hem schold.

 

Maandag
In een tamelijk waanzinnige aanval van zelfoverschatting heb ik voor een voorstelling van de acteur Peter Rouffaer het beroemdste gedicht van Dylan Thomas vertaald (hij wil de vertaling van Paul Claes niet gebruiken vanwege de rechten).
‘Ik maak wel iets voor je,’ sprak ik zorgeloos.
Wat een hybris! Het is veruit het moeilijkste gedicht dat ik ooit vertaald heb:

 

Ga niet gedwee al is die nacht ook goed,
Laai, ouderdom, de dag is haast voorbij;
Raas, raas wanneer het licht sterft in je bloed.

 

Al weet de wijze dat het duister moet,
Omdat zijn woord geen bliksem sloeg, ook hij
Gaat niet gedwee al is die nacht dan goed.

 

De goede, na nog één golf, schreeuwend hoe
Broosheid kon dansen in een groene baai,
Raast, raast wanneer het licht sterft in zijn bloed.

 

De dwaas, die zong van zon en ving haar gloed,
En treurt nu zij neigt naar de overzij,
Gaat niet gedwee al is die nacht dan goed.

 

De ernstige, verblind een orewoet
Van meteoren ziend, de dood nabij,
Raast, raast wanneer het licht sterft in zijn bloed.

 

En jij, mijn vader, wachtend op de vloed,
Vervloek met woeste tranen, zegen mij.
Ga niet gedwee al is die nacht ook goed.
Raas, raas wanneer het licht sterft in je bloed.

 

Ik weet het, dat bloed is rijmdwang, het staat er allemaal niet precies zo, ook al staat het er nu wel zo. Maar dit meesterwerk vertalen is zoiets als met je linkerhand Excalibur uit de steen trekken, terwijl je intussen de Steen van Rosetta zit te ontcijferen...

 

Benno Barnard

Submit to FacebookSubmit to Twitter