Deze twee gedichten zijn een voorpublicatie uit Liter 76. In het decembernummer staan naast onderstaande gedichten nog een aantal gedichten van de hand van Benno Barnard. In de gedichten 'Willems dood' en 'Vaderdromen' verschijnt de overleden vader van de dichter, Willem Barnard alias Guillaume van der Graft. 

 

Els Meeuse, 8 december 2014

 

Willems dood

Lees gedicht

 

Willems dood

 

Op je dak zong de merel; de ijsvogel
vloog in brand boven de singel; je rolstoel
verdronk zich (voornen sprongen opzij).


En jij lichtte je hoed, knikte, sloeg goed
ter been de hoek om. Die kleine zwarte zweeg –
de ijsvogel doofde boven de singel.


Zo liet je ons aan langzaam water achter,
zwijgend uit eigen werk. De lucht werd donker,
er dreigde onweer. We konden terugzingen.

 

Benno Barnard

Vaderdromen

Lees gedicht

 

Vaderdromen

 

Ik droom van een oeroude mol die me wenkt,
maar infantiel is mijn hoop op een hol
vol gezelligheid, een vader en moeder mol

 

die de bezoeker verwelkomen bij een knus vuur –
er is integendeel een onderaards gegraaf
en gedraaf gaande, een door de aarde hollen

 

van duizend maal duizend zwartglanzende
fluweelharde mollen: ik lig machteloos
op mijn rug onder het gewicht van mijn afgrijzen

 

te staren naar wormen en pissebedden;
aarde en viezigheid vullen mijn mond; beneden
is het een en al onweerlegbare Darwinbewijzen.

 

Dat is mijn eerste droom. Zwak daglicht wekt me.
De koelkast heeft honger, de haard heeft het koud.
Nog niet duidelijk is waarom ik er überhaupt

 

zou moeten zijn. Ik eet en ik drink. Ik voel aan
mijn ego en mijn dagboek doet pijn. En opnieuw
wordt het nacht en ik droom als een gek.

 

Ik droom van mijn vader die dood is. Hij ligt
tussen de wortels van de linden, met zijn gezicht
in de grond van de taal; vaag weerklinken

 

gespannen melodieën: de Romantiek dreigt
als een onweer, de Rijn zwelt op, een tijdsgewricht
verlangt naar iets groots en het krijgt Schubert,

 

Novalis, Neuschwannstein, zelfmoord en syfilis –
en allemaal liggen ze al tweehonderd jaar
onder uitgebluste levenden en uitgebloeide linden.

 

Dat is mijn tweede droom. Ik ontwaak in een ijskoude
kamer en het is of de wind grijze dampen rond
mijn blote schedel blaast. Zwart komt uit mijn mond.

 

‘Je bent wel slim in geschrifte, maar het betere
sentiment is ook jou niet onbekend. Alles bij elkaar
heb je geen ruggengraat, ben je meer vorm dan vent,

 

nietwaar? Dat moet je jou niet kwalijk nemen:
jij hebt jezelf niet gemaakt...’ Zo piekert de dag
in mij. En voor de derde maal drijft de nacht

 

schapen bijeen, een troep beelden die wacht
onder mijn raam; ze kijken vragend omhoog,
blatend om aandacht. En in een beginnende regen

 

droom ik dat een begraven woord van mijn vader
zich door de aarde boort, een woord uit een gedicht
dat mij en heel wat mensen kent. En hij lacht

 

in de verte om mijn postmoderne bekommernissen,
mijn ijdelheid, mijn neurosen. ‘Jongen,’ droom ik
dat hij zegt, ‘zorg voor je kinderen, zoals ik

 

voor jullie heb gezorgd. Aanbid je vrouw
met je hart en je pik. Gedenk mij, schrijf je leeg
en vergeet niet je vorige gedicht uit te wissen.’

 

Benno Barnard

Submit to FacebookSubmit to Twitter