door Jaap Goedegebuure, 14 april 2014

 

‘Mystiek is niet het monopolie van gelovigen’, zo begint Jaap Goedegebuure zijn essay over poëzie en mystiek. Als nawee bij het themanummer over mystiek (bestel dit nummer hier) laat hij zijn gedachten gaan over de geest van de mystiek, waaruit volgens hem de poëzie geboren wordt. Over onder andere Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff, Lucebert en Hans Faverey.

 

Lees essay

De geboorte van de poëzie uit de geest van de mystiek

 

Mystiek is niet het monopolie van gelovigen. Ook zonder godsbeeld en illusies aangaande een leven na de dood kun je ervaren dat jij één bent met alles wat voorhanden is, gezien en ongezien, werkelijk of verbeeld. Aan mystieke ervaringen hoeft een buiten- of bovenpersoonlijke god niet per se deel te hebben. Hoe verder je van hieruit oostwaarts gaat, des te irrelevanter de vraag naar het wel of niet bestaan van een opperwezen. In de mystiek van de Vedische geschriften, de Upanishads, Boeddha en Zen wordt de notie ‘god’ veel betrekkelijker en dus ook rekkelijker gehanteerd dan in het christelijke Europa van Oudheid tot Verlichting. Meister Eckhart, de radicaalste van alle middeleeuwse mystici, heeft gezegd dat we God eigenlijk zouden moeten bidden om van Hem te worden vrijgemaakt. Die uitspraak maakt het mogelijk om hem te lezen en te waarderen in de context van de oosterse mystiek, met name die van zenboeddhistische origine.

 

In het licht van de rekkelijke opvatting dat er vormen van mystiek mogelijk zijn waar God niet per se te pas hoeft te komen, wordt de visie van Hugo Friedrich, specialist in de negentiende- en twintigste-eeuwse poëziegeschiedenis, interessant. Friedrich onderkende dat dichters als Baudelaire, Rimbaud en Mallarmé affiniteit hadden met de christelijke mystieke traditie, maar tegelijkertijd beklemtoonde hij dat zij niet uit waren op eenwording met Christus, God of het goddelijke tout court. Hun streven stond in het teken van wat Friedrich ‘leere Transzendenz’ heeft genoemd, een gerichtheid op een wereld en een werkelijkheid voorbij het waarneembare, zonder dat duidelijk is hoe men zich dat andere zijn moet voorstellen. Sterker nog: elke voorstelling van de nagestreefde transcendentie zou tekortschieten, zelfs afbreuk doen aan de zuiverheid van het streven naar verheffing van de ziel en onthechting van het aardse. Dat geldt met name voor Mallarmé, voor wie ‘het Absolute’ en ‘het Niets’ identieke begrippen zijn. We kunnen hier zonder veel moeite de verwantschap ontdekken met de negatieve theologie van Dionysius de Areopagiet en zijn volgelingen, maar ook met het zenboeddhisme. Ik kom daar nog op terug. 

 

Friedrich baseerde zich in zijn studie Die Struktur der modernen Lyrik (1956) op Franse, Engelse en Spaanse dichters. De Nederlandstalige blijven buiten beschouwing, en dat is jammer, want daarmee onttrok Friedrich, ongetwijfeld zonder dat het zijn bedoeling was, Paul van Ostaijen aan het zicht. En dat terwijl Van Ostaijen zich expliciet heeft uitgesproken over zijn verhouding tot de mystiek. In het kort voor zijn dood in 1928 gepubliceerde essay ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’ lezen we het volgende: 

 

Evenals de ekstase heeft de poëzie eigenlijk niets te vertellen, buiten het uitzeggen van het vervuld-zijn-door-het-onzegbare. Zoals de ekstase slechts dit ene thema kent dat is het schorsen van het dualistiese aanvoelen van God en de kreatuur, zo kent de dichterlike ziel alleen dit ene verlangen dat zij steeds wil uitdrukken het vervuld-zijn door het transcendente boren van het woord. De ekstatieker en de dichter worden beiden verteerd door gloed gans van binnen.

 

Ik denk dat het niet te gewaagd is om de term ‘ekstatieker’ in het aangehaalde fragment op te vatten als een synoniem voor ‘mysticus’. Steun voor die gelijkstelling vind ik verderop in Van Ostaijens ‘Gebruiksaanwijzing’, waar hij refereert aan Hadewych, Mechtild van Magdeburg en Angelus Silesius. En dat zijn niet de enige mystici bij wie deze Vlaamse dichter zijn licht had opgestoken. Toen hij tussen 1918 en 1920 in Berlijn verbleef, begon hij zich daar op advies van een Duitse kennis ook te verdiepen in de geschriften van Meister Eckhart. Vervolgens verwees hij naar hem in een van de gedichten die later terecht kwamen in De feesten van angst en pijn (1928), een bundel die gelezen kan worden als de neerslag van een hellevaart. Van Ostaijen noemt zich er ‘de laatste katoliek / de laatste gnostieker […] de laatste heresiark / van de leer der immanens / zoon geboren uit Montanus en Maximilla / dochter uit Katarina Emmerich en Meister Eckehardt’ (‘Vers 5’). Opvallend zijn hier het syncretisme van orthodoxie en heterodoxie en het wisselen van mannen- en vrouwenrol. Hier is iemand die getuigt van desoriëntatie, verlies van aangeleerde zekerheden, van bewuste overschrijding, zoals elders uit De feesten van angst en pijn blijkt, van de conventionele grenzen van goed en kwaad, sacraal en profaan, en devoot en blasfemisch. Het is goed om te bedenken dat zelfverlies en grensoverschrijding steevast deel uitmaken van de geestelijke crisis waar mystici door heen gaan, door heen moeten, alvorens hun enige verlichting deelachtig wordt. In Van Ostaijens geval lijkt die crisis opgeroepen door de gevolgen die de afloop van de Eerste Wereldoorlog voor hem had gehad. In de herfst van 1918, toen duidelijk werd dat Duitsland aan de verliezende hand was, zag hij zich genoodzaakt om uit te wijken naar Berlijn. Hij besefte dat hij na het herstel van de Belgische rechtsorde zou worden veroordeeld wegens collaboratie met de bezetter. Van Ostaijen hoorde bij de Vlaamse activisten die met Duitse steun hadden geijverd voor de gelijkberechtiging van hun taal en cultuur. Dat zijn bange vermoedens juist waren, blijkt wel uit het feit dat vele activisten na 11 november 1918 voor enige jaren in de gevangenis terechtkwamen. Een enkeling werd zelfs ter dood veroordeeld.

 

Toen Van Ostaijen in Berlijn arriveerde was de stad een zinderende brandhaard van sociale en artistieke revoluties. Vooraan in de strijd om vernieuwingen stonden de expressionisten. In profetisch aandoende bewoordingen en psalmodiërende verzen spraken ze van hun liefde voor mensheid en kosmos, maar ook van hun verwachting van de komende Apocalyps. Van Ostaijen was door dit humanitaire expressionisme aangeraakt toen hij op zijn eenentwintigste Het sienjaal (1918) schreef. In die dichtbundel getuigde hij van een uit christelijke naastenliefde voortkomende compassie met de vernederden en vertrapten, die hij als een tweede Vincent van Gogh wilde helpen en troosten. Maar in Berlijn werd hij, geïsoleerd en afgesneden van zijn Vlaamse heimat als hij was, teruggeworpen op zichzelf. Van de weeromstuit omarmde hij de nihilistische en destructieve Dadabeweging. De dadaïsten wilden op de puinhopen van de oude wereld een kunst laten ontkiemen die zich had bevrijd uit het keurslijf van rede en logica. Van schilders als Kandinski en Picasso begreep Van Ostaijen dat de ware kunst niet moet afbeelden of boodschappen moet uitdragen, maar achter de opperhuid van de werkelijkheid op zoek moet gaan naar het wezen. Daarmee liep hij in de pas bij de grote spirituele queeste die de artistieke avant-garde tijdens het eerste kwart van de twintigste eeuw kenmerkt.

 

Van Ostaijens twijfel aan de houdbaarheid van de idealen die hij omstreeks zijn twintigste had gekoesterd en zijn verlangen nieuwe paden in te slaan, leidde tot een acute geloofscrisis. Zijn onbekommerde vertrouwen in de goedheid van de mens maakte plaats voor het besef dat het kwaad de wereld beheerst. Sterker: wie tot God wil komen, maar noodgedwongen in de wereld leeft, zal de omweg langs hel en duivel moeten nemen. Het is daarom dat Van Ostaijen zich ‘de laatste katholiek, de laatste gnostieker, de laatste heresiark’ noemde. Ketters en duivelaanbidders zijn nu eenmaal fanatieke en trouwe gelovigen. De gnosis waarnaar Van Ostaijen verwijst, behelst de leer dat het kwaad schuilt in de stoffelijkheid van ons aardse bestaan, maar er waren ook wel gnostici die geloofden dat het kwaad alleen maar met het kwaad kon worden uitgedreven.

 

De kosmos in mijn thee

De ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’, het programmatische essay dat zich zo nadrukkelijk uitspreekt over de geboorte van de poëzie uit de geest van de mystiek, de mystiek waarmee Van Ostaijen tijdens zijn Berlijnse ballingschap de confrontatie was aangegaan, verdient een nader beschouwing. Interessant, zeker in het licht van Hugo Friedrichs naderhand geformuleerde these, is dat Van Ostaijen zich in weerwil van het door hem bijeengebrachte gezelschap mystici bewust is van een cruciaal verschil tussen hen en zichzelf. Hij brengt dat verschil onder woorden waar hij zich verweert tegen denkbeeldige tegenstanders die hem voor de voeten werpen dat hij hun eigenlijk ‘appelen voor citroenen’ verkoopt; ‘want immers, zonder God, beroept gij u op Hem, zoals gij u zonder religiositeit op de ekstase beroept. Gij wilt een mysticisme scheppen zonder mystiek, waaruit logieser wijze volgt dat gij ons niet mystiek maar mystificatie biedt.’

 

Het wordt allemaal nog boeiender als we zien hoe Van Ostaijen zich tegen dit bezwaar verweert. Daartoe probeert hij het punt te vinden waar poëzie, meer bepaald: de poëzie van zijn voorkeur, en de mystiek elkaar raken. 

 

Ekstase en zuivere dichtkunst uit het onderbewuste ontmoeten zich in een mystiek der fenomenen en deze mystiek laat ons toe, zonder het goddelike te misbruiken, dààr te aksentueren waar ook de mystiekers het aksent legden en ons van dezelfde middelen van subjektieve introspektie te bedienen om tot het fantasmatiese, dit is de geheimzinnige zijde van de dingen door te dringen.

 

Een mystiek van het hier en nu en in het hier en nu, dat is wat Van Ostaijen voorstaat. Hij is, in de eerste decennia van de twintigste eeuw, de enige niet. De frase waarmee het juist aangehaalde citaat eindigt (‘tot het fantasmatiese, dit is de geheimzinnige zijde van de dingen door te dringen’) is zijn parafrase van een slogan die de artistieke avant-garde in de eerste decennia van de twintigste eeuw massaal aanheft, of die avant-gardisten zich nu expressionisten, kubisten, futuristen, surrealisten of aanhangers van de Nieuwe Zakelijkheid noemen.

 

Een dichter die Van Ostaijen in de mystiek van alledag voorging was Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919), die zich op een zeker ogenblik Adwaita ging noemen, Sanskriet voor ‘de tweeheid [lees: het dualisme] te boven gekomen’. Dèr Mouw, geschoold classicus, was zich onder stimulans van Schopenhauer gaan verdiepen in de Vedische geschriften. Daaruit had hij begrepen dat hij zijn overgeërfde christelijke rudimenten en aangeleerde platoonse inzichten, die allemaal insisteerden op de kloof tussen het verwerpelijke Diesseits en het verkieslijke Jenseits, achter zich moest laten, wilde hij zich enige psychische stabiliteit verwerven. Hij gaf zijn streven gestalte in poëzie die getuigt van zijn behoefte om over de kloof tussen de schijnbare tegenstellingen heen te springen. Daarbij komt wat in de ogen van de intellectuele en culturele goegemeente ‘laag’ heet op gelijke hoogte te staan met wat diezelfde goegemeente ‘hoogacht’. Ik citeer een karakteristiek gedicht uit Dèr Mouws oeuvre:

 

Ik sprak enthousiast over 't Parthenon,
Hoe 't op verende berg zweefde, als een blank
Snaarinstrument, dat door zijn zuilen, rank,
De wereldlucht tot aan de horizon

 

Maakte tot één akkoord van marm'ren klank –
Toen plotseling een draaiorgel begon
Door de open deuren, dwars over 't balkon,
Te spugen zijn kwijldraderig gejank.

 

En 'k dacht: Ja, Brahman is de Kunstenaar:
Hij, Shakespeare's voorbeeld, zet vlak naast elkaar
Het hoogverhevene en het laagkomieke.

 

En wat in Cyrano de Bergerac
De bakker zei, toen men zijn glaswerk brak,
Dacht ik: Il casse tout, c'est magnifique.

 

Hier wordt omschreven wat de dadaïstische dichter I.K. Bonset (1883-1931), alias Theo van Doesburg, in een aforisme van tien woorden samenvat: ‘De scherven van de kosmos vind ik in mijn thee.’ Ook hier een unio mystica van schijnbare extremen.

Is Dèr Mouw nog altijd een naam in de Nederlandse poëziecanon, de reputatie van de dichter J.C. van Schagen (1891-1985) is nagenoeg geheel teloorgegaan. Dat is voor een deel te wijten aan de door hem gekozen opstelling, dwars tegen de conventies in.

 

Van Schagen relativerende zelfspot, blijkend uit titels als ‘dreutels’, ‘flutters’ en ‘nietsjes’, en zijn weigering om onderscheid te maken tussen goed en niet goed, duiden niet op nonchalance of luiheid, maar verraden een principiële keuze. Toen de Zeeuwse oppercriticus en collega-dichter Hans Warren Van Schagen verweet dat hij niet wist te schiften, antwoordde die: ‘God schift niet, integendeel, Zijner is de volstrekte hutspot. Hoe zou ik me dan vermeten het beter te willen doen? Ik schift ook niet. Laten we eerlijk zijn: we zouden het óók niet kúnnen. Evenmin als God het kan. Op selectie staat de doodstraf, weet je.’ Hij liet aan zijn bundel Narrenwijsheid (1925) een motto voorafgaan waarin Spinoza stelt dat gegeven de goddelijkheid van de natuur niets onze haat, spot of verachting verdient. Dat wijsgerige inzicht wordt geparafraseerd in de openingsregels van het gedicht.

 

Niets is dat niet goddelijk is.
Daarom wil ik niets uitzonderen.
Ik geef geen namen

 

Ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
    recht, ik blijf niet staan bij slecht en leelijk.
Goed en deugdzaam gaan mij niet aan.

 

Dan volgt er een lange opsomming van alles en allen op en voor wie de regen neerdaalt: bos, zee, het keukenplatje, vuile goten, gevangenen, kelners en zelfs politici. Anton Korteweg heeft er al eens aan herinnerd dat Van Schagen spreekt met de stem van Prediker, maar hier herhaalt hij Jezus en diens Bergrede: ‘Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen’. De invloed van lyrische Bijbelboeken (Psalmen, Hooglied, Prediker) is overigens sterk onder de humanitair expressionisten met wie Van Schagen verwantschap heeft, met dit verschil dat hij humor heeft en de humanitair expressionisten niet. Aan de humor van Narrenwijsheid zal Van Schagen het te danken hebben dat Komrij in zijn grote poëziebloemlezing het gedicht opnam, dat begint met de woorden:

 

Ge hadt God en de wereld lief.
Toen sprong Uw bretel los.

 

Deze regels doen denken aan Dèr Mouw, die de muziek der sferen liet harmoniëren met de deuntjes van het draaiorgel, of Theo van Doesburg die de scherven van de kosmos terugvond in zijn thee. Hiermee zijn we meteen toe aan Van Schagens familieverwantschappen, want hoewel hij bewust het literaire isolement zocht en de roep van Einzelgänger geniet, staat zijn ‘Narrenwijsheid’ beslist niet op zichzelf. Met Dèr Mouw deelt hij de hang naar de oosterse spiritualiteit, met Van Doesburg en Dèr Mouw de behoefte aan een metafysisch fundament. Net als Nescio ziet hij God in de eenvoudigste dingen. Hij doet zich even naïef voor als Jan Hanlo en loopt in quasi-naïveteit vooruit op Armando. Er is niemand geweest die zo bevreemd en tegelijk ook zo onopgesmukt zijn verbazing over het aardse bestaan heeft uitgesproken als Van Schagen. Afgezien van Gorter, die vanuit diezelfde verbazing schreef, zoals een van zijn bekende gedichten laat zien: 

 

DE BOOMEN WAREN STIL,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.

 

De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.

 

Over de aarde was
waarschijnlijk alles zoo,
de wereld en 't menschgewas
ze leven nauw.

 

Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede lien
liepen beneden.

 

De bekering tot de aarde

In zijn essay ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’ karakteriseert Van Ostaijen de poëzie als ‘de laagste trap van de ekstase’. Daarmee lijkt hij aan te geven dat het gedicht, een talig construct immers, altijd achterblijft bij het woordloos opgaan in de godheid. De dichtkunst is per definitie gebonden aan de aarde en het aardse. Of hij dat betreurde dan wel toejuichte is niet helemaal duidelijk. Dat ligt een tikje anders bij een dichtende tijdgenoot, die menigmaal is gepositioneerd als Van Ostaijens geestverwant, zulks vanwege hun gedeelde opvatting met betrekking tot het streven naar een zuivere, dat wil zeggen van individualistische smetten ontdane lyriek. Ik doel op Martinus Nijhoff (1894-1953), niet alleen productief en invloedrijk – tot de dag van vandaag – als dichter, maar ook een prominent literatuurbeschouwer. Sprak Van Ostaijen over de poëzie als de laagste trap van de ‘ekstase’, Nijhoff omschreef de dichtkunst als ‘profane, wereldlijke mystiek.’ In dat verband ishet natuurlijk interessant om te zoeken naar voorbeelden van die profane mystiek in zijn eigen creatieve werk.

Profaan of niet, in Nijhoffs werk gaat het menigmaal om wat met een groot woord ‘liminale ervaringen’ heet, onaangekondigde, onverwachte en misschien zelfs niet eens welkome confrontaties met een andere wereld. Zo’n ervaring wordt beschreven in ‘Het souper’:

 

't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.

Als water woelden in den nacht de landen
Onder het huis; wij voelden hoe een groot
Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de
Vaart van den tijd ons droegen naar den dood.

Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:
Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid
Dieper weerkaatst in de oogen van een ander –

Maar als de winden langs de daken huilen,
Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit,
Lach en stoot glazen stuk tegen elkander.

 

Opvallend in dit sonnet is de gebeurtenis die wordt beschreven in de eerste twee kwatrijnen; die heeft veel weg van een klassieke raptus, het meegevoerd worden op Gods adem. Om het te zeggen met de Ierse zanger Van Morrison, die nooit met de mystiek zal worden geassocieerd maar wel degelijk als mysticus kan worden beschouwd: ‘Like a full force gale I was lifted up again by the Lord’.

 

In de laatste twee strofen ‘Het souper’ wordt duidelijk dat op deze raptus een pijlsnelle landing richting aarde volgt, en een overgave aan een verdoving die haaks staat of de vervoering. Bij Nijhoff is er altijd wel een uitgesproken verlangen naar de eenheidservaring waarbij aarde en hemel zich verzoenen, maar die ervaring blijft buiten bereik. De bijen die op zoek naar hoger honing opwaarts vliegen, worden bevangen door de vrieskou en sneeuwen voor dood neer tussen de korven. Meer dan één lezer heeft gesignaleerd dat gedichten als ‘Het lied der dwaze bijen’ en ‘De moeder de vrouw’ een pendant hebben in Nijhoffs verhaal ‘De pen op papier’. Daarin rept de dichter van zijn mislukte poging ‘mijn ziel in haar intellectuele essentie omhoog te drijven tot wat ik noemde “het zien van God”’. Als consequentie besloot hij zijn ziel ‘omlaag te houden in het lichaam’ en ‘alleen nog datgene te schrijven, wat het schrijven zelf tot een fysiek genot maakt’. En dus zien we Nijhoffs begeerte om het hogerop te zoeken omslaan in een intense aandacht voor het hier en nu, in ‘eerbied voor de gewoonste dingen’ om het te zeggen met een regel van de dichteres Vasalis, die zo vaak met Hadewych is vergeleken. Kenmerkend voor die omslag is het lange gedicht ‘Het veer’, waarin de Heilige Sebastiaan er na zijn marteldood voor kiest om niet ten hemel op te varen, maar te reïncarneren in een pas geboren kind. Typerend is ook Nijhoffs gedicht ‘Tweeërlei dood’:

 

Het meisje dat halfweegs haar mandje staan laat
Zingt en plukt bloemen en zwerft over 't land –
Ik peins, mijn liefde heeft langzamerhand
Geen doel en niets meer dat haar dieper aangaat.

 

Vreemd ijlt geluk voorbij oneindig missen.
Stuivende sneeuw, o lied! – ik adem hijgend
Een ijskoud licht in, en mijn woorden, stijgend,
Zingen zich los van hun beteekenissen.

 

Ik peins, het meisje treedt, mandje aan den arm,
Met pakjes en met bloemen, lachend binnen.
Haar vaders pijp geurt, de ketel gaat zingen,
Zij steekt de lamp op, en de stilte is warm.

 

De bloemen worden in een kom gezet,
Voor 't venster – o de glinsterende sterren –
Zij prevelt tot een stem, roepend van verre,
Haar weerloos liedje als een avondgebed. –

O God, verhoor haar liedje, en breek vannacht
De ruiten uit haar raam, en breng haar – neen,
Niet naar dit hooge, waar ik u, alleen,
Jubelend in de sneeuwstormen verwacht; –

 

Breng haar bij zwanen, booten onder boomen,
In 't warm rijk van den vlinder en den bloesem,
En leg de witte lischbloem aan haar boezem
Waar zij noch ik vanmiddag bij kon komen.

 

Met de bekering tot de aarde, in ‘Tweeërlei dood’ nog helemaal klassiek-poëtisch vereenzelvigd met het ‘warm rijk van den vlinder en den bloesem’, maar naderhand veel moderner geconcretiseerd in de stalen brug bij Bommel en de nieuwbouwwijken aan de rand van de grote stad, het domein van de geheimzinnige boodschapper van gene zijde die het Uur U aankondigt, slaat Nijhoff definitief een andere weg in, een weg die ook voor de na hem komende dichters begaan zou worden. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Lucebert (1924-1994) en het programma dat hij aan het begin van zijn dichterschap ontvouwt:

 

ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen

 

of aan een ander gedicht van diezelfde Lucebert waarin hij het opgaan in het een en al bezingt als een extatische versmelting met de elementen:

 

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeermeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

 

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik ruis en ik zing

 

Met Lucebert zijn we, gelet op de afstand in de tijd die ons van Paul van Ostaijen scheidt, min of meer halverwege Hans Faverey (1933-1990). Het is juist deze dichter die ik in meer dan één opzicht beschouw als de rechthebbende in Van Ostaijens erfenis. En dat vooral om de ontkennende aanvaarding en de aanvaardende ontkenning van het goddelijke die hij nastreefde en naar mijn mening ook bereikte in gedichten die De feesten van angst en pijn in herinnering roepen. Een van die gedichten (uit de bundel Zijden Kettingen (1983)) luidt als volgt:

 

Onherbergzame feiten die tot niets
meer dienen; die hebben mij gemaakt

 

tot wat ik ben geworden:
die houd ik in ere. Feiten
bestaan uit niets. Een plas
helder water bevat de meeste
gedachten over wegzijn.

 

Nog kom ik aangelopen met twee

 

handen vol water: hier –
God is groot, maar niet groter
dan zijn mislukking. Elk woord
slikt zich liever in dan zo
te moeten leren zwemmen.

 

Prominent in Favereys werk zijn de noties ‘leegte’ en ‘niets’. Ze hebben betrekking op de staat van verlichting, waartoe degene die het Pad volgt wil geraken, en op de discipline die men daarbij in acht moet nemen. Onthechting, los komen van en ontsnappen uit de ketens van het egobewustzijn, is nodig om de geest leeg te maken en aldus te ervaren dat achter de veelvoudige wereld van de verschijningsvormen, de sluier van Maja zoals het in de Indiase traditie wel heet, het Niets schuilgaat. Zowel de leegmakende onthechting als de ervaring van het Niets worden in Favereys gedichten benoemd, zij het niet altijd even letterlijk. Al vroeg, dat wil zeggen op de eerste pagina van zijn debuutbundel Gedichten (1968), figureert het woord ‘leegte’ prominent, bijna op de wijze van een programma.

 

Stilstand

 

in aanbouw, afbraak
in aanbouw. ‘Leegte,

 

zo statig op haar stengel’;
land in zicht, geblinddoekt.

 

De programmatische status van dit gedicht wordt versterkt door het feit dat de bundel Gedichten ermee opent. Onmiskenbaar is het streven naar ‘stilstand’ en ‘afbraak’ (begrippen die zich laten verbinden met de mystieke noties ‘ontlediging’ en ‘onthechting’). Het ‘land in zicht’ kan men opvatten als een metafoor voor een inzicht dat, op de manier van de mystici, verworven kan of zelfs moet worden ‘met de ogen dicht’, zoals Lucebert zegt. Het resultaat van deze ‘onthechtingsoefeningen’, zoals Faverey ze noemt is een ‘leegte’ voortbrengend of onthullend gedicht dat in overeenstemming met de romantische traditie wordt vergeleken met een bloem, getuige het woord ‘stengel’.

 

Ook Peter van Lier, auteur van ‘Het ontbrokene’, een essay over Favereys poëzie in relatie tot het zenboeddhisme, heeft erop gewezen dat de dichter menigmaal struikelde op het pad naar de verlichting. Als voorbeeld citeert hij het gedicht dat begint met de regels ‘Zo het iets teweeg brengt, / en zich heeft vergeten, / is het tevergeefs / en in godsnaam.’ De oorzaak van het falen lijkt te worden gezocht in het onvermogen om bij het loskomen van het egobewustzijn net die ene laatste stap naar de volkomen onthechting (Van Lier spreekt net als een andere Faverey-interpreet, Maarten van Buuren, van ‘onteigening’) te maken. Manifestaties daarvan zijn in diverse fasen van Favereys dichterschap te vinden. In de relatief vroege bundel Gedichten 2 (1972) valt te lezen hoe het ik van zichzelf vervreemd blijft.

Vooral dat laatste fenomeen, de sensatie dat ‘ik een ander is’, om met de mystieke dichter Rimbaud te spreken, kleeft de mystiek van oudsher aan. Samenvallen met het Zelf verschilt niet wezenlijk van restloos opgaan in God en het goddelijke. Dat beseften de Indiase wijzen, de Boeddha en Meister Eckhart net zo goed als Gorter, Van Ostaijen, Nijhoff, Faverey en de andere hier besproken dichters van onze tijd. 

 

Jaap Goedegebuure

 


Literatuur

 

Maarten van Buuren, ‘Een proces van onteigening. De poëzie van Hans Faverey’, in Verschuivingen, verdichtingen, Amsterdam, Querido, 1993, p. 49-67.
Hugo Friedrich, Die Struktur der modernen Lyrik von der Mitte des neunzehnten bis zur Mitte des zwanzigsten Jahrhunderts, Reinbek bei Hamburg, Rowohlt, 1967.
Peter van Lier, ‘Het ontbrokene. Hans Faverey bezien vanuit Zenboeddhistisch perspectief’, in Spektator 24 (1995), 1, p. 70-84.
Jan Oegema, Ziek van de zee. Paul van Ostaijen en de mystiek, Rimburg, Huis Clos, 2009.
Paul van Ostaijen, Verzameld werk 1-4, Amsterdam, Bert Bakker, 1971-1977.

Submit to FacebookSubmit to Twitter