Vertaald door Menno van der Beek

 

Annie Dillard – jaargang 17, Liter 73, maart 2014

 

Dit artikel is een voorpublicatie uit het themanummer over mystiek dat eind maart 2014 verschijnt.

 

Lees fragment

Licht gezien

 

In 1977 schreef Annie Dillard, twee jaar nadat ze de Pulitzerprijs kreeg voor Pilgrim at Tinker Creek, het boekje Holy the Firm. Boze tongen beweerden dat ze het schreef onder invloed van geestverruimende middelen. Maar het is misschien alleen maar een springerig boekje geworden omdat ze zich openstelt voor de vreemde, harde wereld om haar heen en er tegelijk God in probeert te zien en God eruit wil wegkijken. En omdat ze zich tegelijkertijd verbaast over de intensiteit van de ervaringen van een mens met een hoofd vol gedachten. Dillard is iemand die haar ogen openhoudt. Ook al zit ze vaak te lezen, zoals in de volgende misschien wel mystieke scène uit Holy the Firm.*

 

Twee zomers geleden kampeerde ik, alleen, in de Blue Ridge Mountains in Virginia. Ik had mijzelf erheen gesleept om te lezen; onder andere het boek van James Ramsey Ullman, The day on fire, een roman over het leven van Rimbaud, die me er op mijn zestiende van overtuigd had dat ik schrijver moest worden. Ik hoopte dat het boek me nog een keer zover kon krijgen. En dus zat ik te lezen, verdwaald in mijn boek, elke dag, onder een boom bij mijn tent, terwijl rietzangers boven mijn hoofd in de boom zaten en wormen door de rotte bladeren rond mijn voeten kropen; en ik las elke avond bij kaarslicht, met uilen die riepen vanuit het verre bos en bleke motten die in grote aantallen om mijn hoofd cirkelden, op de open plek en in mijn kring van licht. Motten bleven in mijn kaarsvlam vliegen: ze sisten en fladderden achteruit, en raakten dan de weg kwijt in de schaduwen tussen mijn pannen. Of ze schroeiden hun vleugels en vielen, waarna hun hete vleugels, alsof ze gesmolten waren, bleven plakken aan het eerste ding dat ze tegenkwamen – een pan, een deksel, een lepel – waarna ze niet los konden komen en in kleine kringetjes bleven ronddraaien. Deze motten redde ik door een kort tikje met een stokje; in de ochtend zag ik dan dat mijn kookgerei bezaaid was met goudkleurige restjes van mottenvleugels: kleine driehoekjes van stof op het aluminium. Dus las ik, kookte water, verving de kaars, en las verder.

 

Eén van die avonden vloog er een mot langs de kaars. De mot kwam vast te zitten, verschroeide en bleef in het kaarsvet steken. Ik moet in de kaarsvlam hebben zitten staren, of ik keek op toen er een schaduw over mijn pagina gleed. Hoe dan ook, ik zag het gebeuren. Een gouden, vrouwelijke mot, een nogal grote, met een vleugelwijdte van ruim vier centimeter, fladderde richting de vlam, landde met  haar onderlichaam in het kaarsvet, bleef vastzitten, vatte vlam en knetterde en verbrandde binnen een seconde. Haar fladderende vleugels vatten vlam als flinterdun papier, waardoor de lichtkring op die open plek groter werd en ik plotseling de blauwe mouwen van mijn trui en de groene bladeren van het springkruid en de rode ruwe stam van een pijnboom om me heen kon zien. Direct werd de lichtkring ook weer kleiner en de vleugels van de mot verdwenen in een klein wolkje smerige rook. Tegelijkertijd klauwden, trappelden en blakerden haar zes pootjes, tot ze stilvielen en helemaal verdwenen. Haar hoofd schokte als in een spasme, en maakte kleine spetterende geluidjes; haar antennes verbrandden en verkoolden en de hijgende onderdelen van haar mond kraakten als pistoolschoten. Toen het voorbij was, was haar hoofd, voor zover ik kon nagaan, verdwenen, helemaal verdwenen net als haar vleugels en haar poten. Was het een oude mot geweest, of een jonge? Had ze gepaard en eieren gelegd, had ze haar werk gedaan? Alles wat achterbleef was de hoornen buitenkant van haar onderlichaam en borstkas – een gerafeld, gedeeltelijk beschadigd goudkleurig buisje, recht in het plasje vloeibaar

vet van de kaars gestoken.

 

En toen begon deze essentie van een mot, dit spectaculaire skelet, te fungeren als een lont. Ze bleef branden. Het kaarsvet steeg van haar vochtige onderkant door haar borstkas naar waar haar hoofd zou moeten zijn, en verwijdde daar tot een vlam, een saffraankleurige, die haar hele gestalte in een gewaad van licht zette, als een brandende monnik. De kaars had twee lonten, twee even hoge vlammetjes, naast elkaar. Het hoofd van de mot was vuur. Ze brandde nog twee uur, tot ik haar uitblies.

 

Ze brandde twee uur lang, zonder te veranderen, zonder te buigen of achterover te leunen – almaar gloeiend, van binnenuit, als een brand in een gebouw, van buiten zichtbaar in de op de muren dansende schaduwen, als een holle heilige, als een maagd onderweg naar God met het gezicht van een vlam, en ik las bij haar vlam, verlicht, terwijl Rimbaud in Parijs zich aan duizenden gedichten brandde, en de nacht als een plas aan mijn voeten lag.

 

Annie Dillard, vertaald door Menno van der Beek

 

*Annie Dillard, Holy the firm. Harper Collins, New York 2003 (1977), blz. 16-17.

Submit to FacebookSubmit to Twitter