Menno van der Beek over De eerste letter, 27 januari 2014

 

De gedichten in De eerste letter beginnen nogal prozaïsch: toeval of niet, maar het mooie lange citaat van Rainer Maria Rilke (ik hoop en verwacht, dat Lieke Marsman ook zijn Brieven aan een jonge dichter heeft gelezen. Het is nog bepaald niet te laat, Marsman is van 1990) is ongeveer hetzelfde gezet en maakt dezelfde indruk op de pagina als de eerste vier gedichten.  Met in lopende, niet rechts uitgelijnde zinnen, regels als: ‘Heb ik niet. De mooiste mens is de mens die niet nadenkt; die zichzelf genoeg vertrouwt om geen woorden nodig te hebben in het hoofd bij het zetten van een kopje thee. Die alles opnieuw leert.’

 

 

Daarna herneemt de bundel zich met meer traditioneel gezette gedichten, losse regels afgewisseld met witregels, maar iets prozaïsch houden de gedichten toch, zeker door het ontbreken van in het oog springende muzikalere elementen als ritme en rijm. Marsman levert zorgvuldig gedoseerde, door enjambement en regelverdeling gelanceerde gedachten die me soms even noodzaken de bundel te laten dichtvallen, vinger tussen de pagina. Zoals in de  titelcyclus, vijfde gedicht: ‘Als ik mezelf ervan beschuldig paradoxaal te zijn, zou ik mezelf / logischerwijs tegelijkertijd moeten vergeven’. Kleine tijdelijke overbelasting van mijn taalverwerker, en het is waar. Ze heeft gelijk. Heel goed gezien.

 

 

‘Liefde in tijden van eenzaamheid’ zit dan weer tussen de twee varianten in; door witregels gescheiden prozaïsche coupletten. Met daarin weer gedachten die je zelf gehad zou willen hebben of wel eens had, maar minder goed formuleerde. Zoals deze, uit de reeks redenen om iemands standpunt te weerleggen: ‘4) je lievelingsschrijver heeft een omvangrijk oeuvre met enkele hoogtepunten, maar ik kan zo vijf schrijvers noemen die ik beter vind 5) ik kan daarentegen geen vogelhuisje voor je timmeren, ik blufte’.  En uit ‘Reguliersgracht’: ‘Dansen: denken dat je overal tegelijkertijd / kunt zijn, terwijl je alleen maar overal / heel snel weer weggaat. Ergens blijven // is wonen.’

 

Wanneer Marsman een vorm hanteert, zoals de dubbele en zelfs hier en daar rijmende terzinen van de cyclus ‘aankondigende ochtend’, krijg ik het idee dat ze zichzelf daar te weinig ruimte geeft. Neem nummer vier in die cyclus: ‘Zijn we toch maar mooi uit eenwording / twee gewonden geworden. Hing ik de hele dag / mijn ziel aan jou te drogen – had ik haar // in mijn eentje in een teiltje moeten wassen. / Of had ik je ooit-gebeurde, nu onzegbaar / soms begrijpelijke zorgen moeten passen?’  Ook niet alle vrijere gedichten zijn even goed. ‘Ik heb nergens een kistje begraven / opdat niemand het vindt’, uit ‘Kistje’, is een regel, in het slot, die me niet overtuigt. Het neigt naar een zwakke allusie op Rutger Kopland, maar ik bleef er aan hangen door de keuze voor ‘opdat’. Ik heb daarnaast het vermoeden dat het een regel is, die kwam, toen er geen beter slot wilde komen. Het moet ook moeilijk zijn alle verdwalingen te voorkomen bij deze associatieve, vondstenrijke poëzie, die de indruk wekt dat ze met behulp van een bijzonder fijn taalgevoel intuïtief genoteerd wordt, op het moment dat ze gebeurt. Maar meestal in deze bundel is het raak en prachtig. Kijk eens mee naar het bijzonder mooie ‘Gesprek met T’:

 

Gesprek met T

Lees gedicht

 

Gesprek met T

 

Mooie muziek is dat
ik vind het muziek om samen naar te luisteren
terwijl het raam openstaat

 

ja en een persoon staart uit het raam
en de ander niet
en het huis heeft schuifdeuren

 

naar de tuin die niet heel groot is maar groot genoeg
en wij wonen in het huis
onze ijskast is vol

 

en op een andere dag
kijken we naar met het mes op tafel, als het kouder is dan op deze dag
maar vandaag eten we zoutjes

 

we hebben buren, maar ze zijn op vakantie
wij mogen voor hun planten zorgen
sommige boeken zijn al oud, die staan op de onderste planken

 

er is een boom met een schommel die hangt aan één touw
vandaag ga ik hem repareren

 

we overwegen een erker te laten bouwen
maar dan moeten we misschien de auto verkopen
en er is heel veel mos

 

maar je kunt door het zonlicht het mos niet meer zien
toch ga ik het morgen tussen de stenen uithalen, met een mesje
daar ga ik de hele ochtend over doen

 

soms
hoor je me in de keuken
iets roepen vanuit de slaapkamer boven

 

soms
zijn we de sleutel kwijt
en dan maken we een nieuwe sleutel

 

Om een beetje gevoel te krijgen voor de dichter, en om na een lezing van een prachtbundel een beetje op aarde terug te keren, is het na afloop losjes bekijken van de meestal achterin geposteerde pagina ‘Aantekeningen’ vaak een uitstekend idee. ‘De eerste regel van het gedicht “Palimpsest –V” is een vrije vertaling van een zin uit het gedicht “Dust” van Dorianne Laux.’ Ik erger me eraan dat ik niet weet wie Dorianne Laux is (Een Amerikaanse dichteres die begon als pompbediende), en ik vraag me af wie de verwijzing naar de vrij vertaalde regel zou zijn opgevallen als deze vermelding er niet was. Of is het een erezaak? Daarover nadenkend, ben ik dus inderdaad geland. Het is een intrigerende bundel.

 

Ik heb de neiging, sommige prachtige taalvondsten op te schrijven en bij de hand te houden in geval van behoefte aan een intrigerende regel, boven een lastige brief bijvoorbeeld. Dit is zo’n dichtbundel die men graag uit de rij dunne boekjes op de poëzieplank trekt, om even in de taal en de ideeën van iemand anders te verdwalen. Ik zou Lieke Marsman wel een sonnet willen zien schrijven. Haar volgende bundel moet ik in elk geval ook hebben.

 

Lieke Marsman, De eerste letter. Van Oorschot, Amsterdam 2014, 58 blz., € 14,50. 

Submit to FacebookSubmit to Twitter