door Hilbrand Rozema, 13 maart 2014

 

‘Home!’
Het heeft zeventien jaar geduurd, voor ik me die man weer herinnerde. Wonderlijk zijn de omwegen van de Noordzeeharing en het hersenvocht. Die man stond in Lerwick, dat is het hoofdstadje van de Shetland-eilanden – door de Nederlanders in de zeventiende eeuw ‘Laarwijk’ genoemd – in de ochtend naar de zee en de ruime lucht te kijken, ellebogen op een stenen kademuurtje, en ik ook, denk ik. Tussen mij en ‘thuis’ lagen die borstwering en dan de hele Noordzee. Maar voor hem niet. Hij kon dit ‘home’ noemen – dit hier, deze paar schuin aflopende eilanden, in zee gesmeten in de cartografische vorm van een slordig geschetst Vikingzwaard. Stenen drempels. De weinige bomen waren schuin afgeschoren in de zeewind.

Zelfs nu nog, na zeventien jaar, voel ik een verdrietig steekje van jaloezie bij de herinnering aan de eenvoudige, bijna postaal op te vatten mededeling van die Noordzeevisser in Lerwick. Want thuis was ik op zijn eiland allerminst. Het was mijn eerste buitenlandse reis alleen. Een inwijding in het rugzakken, achteraf: een ridderslag die de ridder zichzelf noodgedwongen toebrengt, met alle gevaren van dien. Voor je het weet verlies je je hoofd, of blesseer je je schouder. Probeer dit niet thuis.

 

Over de Shetlands kan ik nog melden dat er ‘op de punt van het zwaard’ een vuurtoren balanceert, waarin Robert Louis Stevenson zijn wereldberoemde Schateiland (1883) schreef. En dat er, ter hoogte van de ontmoeting tussen lemmet en gevest, een uitkijkpunt is waarbij je bijna in één oogopslag twee zeeën tegelijk kunt zien: in het westen de Atlantische Oceaan, in het oosten de Noordzee. Het was niet de laatste keer dat ik de voetsporen zou drukken van die schrijver, al gebeurde dat niet opzettelijk, voorzover een mens dat kan overzien, dus onder het voorbehoud van het feit dat we alleen de achterkant van het borduurwerk zien en niet de voorkant; in de Cevennen kruiste ik het wandelpad dat Stevenson heeft gelopen met zijn ezel. Deze reis maakte hij niet alleen uit ontembare reiszucht. Hij had pas Fanny Vandergrift ontmoet, een prachtige Amerikaanse van deels Nederlandse afstamming. Hij voorvoelde dat zij de ware was, maar juist dat moet hem onrustig hebben gemaakt. Zo onrustig, dat hij nog eenmaal als eenzaat de wereld te lijf wilde en wild en vrij wilde reizen. De versie daarvan die hij wilde tonen aan het publiek, Travels with a Donkey in the Cevennes (1879), is nog steeds een reisklassieker en in de winkeltjes op dat harsige, kalkdroge massief waar het ruikt naar stoffige kastanjes, nog steeds op voorraad.

 

Bindingsangst levert wel mooie reizen op. Het moest weer een Brit zijn, die de grillen van de romantische Stevenson overtrof met een geniaal reisplan. Nicolas Crane was pas getrouwd en maakte zijn kersverse bruid aan het schrikken met de mededeling, dat hij dwars door Europa wilde lopen – alleen. In achttien maanden liep hij van Santiago de Compostela, tegen het pelgrimerende verkeer in, via de Pyreneëen naar de Cevennen en kleine Alpen, vandaar naar de grote Alpen, en zo verder, via de Tatra, de Beskiden, het Reuzengebergte, om uiteindelijk uit te komen bij de Zwarte Zee. Crane had Europa bedwongen, als eerste mens, door het te voet volgen van alle bergmassieven, alle waterscheidingen, op het continent.
Hij schreef er Clear Waters Rising over, een verfrissend en onnavolgbaar Brits reisboek, inmiddels alweer ‘de oude doos’ (1996). Er staan ook veel kleurenfoto’s in.

 

In 2009 sprak ik de schrijver van het Boekenweekessay, Jelle Brandt Corstius, in Moskou. In zijn eerste jaar in deze stad, vertelde hij, lag hij elke dag om 21.00 uur in bed. ‘Ik zocht toen nog naar de oorzaken van problemen. Ik wond me op en was ongeduldig, echt Nederlands. Maar juist hier loop je overal en elk dag tegen kleine wondertjes aan! In Moskou gaat je dag nooit zoals je wilt. Ook als je hier kort bent, als toerist, gaat je hoofd toch open en besef je dat Nederland niet vanzelf spreekt. Daar gaat het mij om.’ Gevraagd naar de schaduwkanten van Rusland, zei hij: ‘Hoe langer ik in Rusland woon, hoe minder ik het snap. Een kennis zei laatst, toen we een groepje zwarten passeerden: ‘Wat verschrikkelijk!’ In het begin werd ik dan kwaad. Maar dat heeft geen zin. Zondag zei een andere vriendin ineens iets geks. Bij het wachten op de trein had zij een hoofd zien liggen. Een wat?! Ja, een hoofd, naast het spoor. Niemand had gereageerd of de politie gebeld. Zelf haalde zij ook de schouders op: ‘Een afrekening, of een dronkenlap.’ Typerend voor Rusland is ook dat zij hier pas na dagen mee kwam, en terloops.’
Het is één fragment uit een boeiend koffiehuisgesprek en nu ik het herlees, denk ik: in Nederland wonen, Gronings en Sallands verstaan, witte reigers, vrienden, woonerven, zwemmen in de branding, Noordzeestranden – allemaal onverdiende zaligheden. Het zijn des Heren gunstbewijzen, dat wij niet omgekomen zijn. Dat zal Jelle Brandt Corstius vast anders zeggen, hoogstens ziet hij als geboren verteller nog iets in de tale Kanaäns als slijtvaste stijlfiguur, zeg nooit nooit, maar inmiddels is wel duidelijk dat zijn hang naar thuisgevoel, die ambivalentie in de ziel tussen rust en verlangen naar de horizon, steeds meer is uitgevallen in het voordeel van Nederland. Als ik naar zijn reizen kijk op televisie, en ik kijk tussen de regels, dan kan ik dat zelfs een beetje zien. Hij lijkt rustiger dan voorheen.

 

Daar, op die Scandinavisch-Britse eilanden ten noorden van Schotland en op dezelfde hoogte als de Noorse havenstad Bergen, lag voor mij het keerpunt. Vanaf daar kon ik alleen terugreizen. Ik had de Orkneys al bezocht, ook wel de Orkaden genoemd. Al wist ik het toen niet, en al helemaal niet dat het tien jaar zou duren, hier begon het persoonlijke web van betrekkingen dat ontstaat als je eenmaal goed begonnen bent met reizen. Echt reizen, vaak alleen, en vaak zonder plan, zonder helder doel. Omdat je voelt dat het moet, dat je mogelijkheden moet creëren. Reizen waarbij je mag verdwalen; waarbij je zelf niet weet wat achteraf gezien zo voor de hand ligt: natuurlijk, het was een lange omweg. Een ingewikkelde omweg, dat wel. Een vlucht, een langdurig volgehouden aanval van verplaatsingsdrift, een staat van ternauwernood onderdrukte paniek. Een route langs geografische uitersten, die louter door er te zijn, helpen om je innerlijk landschap te ordenen. Soms is het zo dat het bezoeken van uiterste geologische referentiepunten vorm geeft aan de chaos die je voelt van binnen. Cape Agulhas, puntje van heel Afrika. Kaap de Goede Hoop. Kaap Finisterre, in Portugal. Tarifa, in Spanje. Mombasa. Zanzibar. Fort Dauphin, zuidpunt van Madagascar. Yambio, dichtbij het geografische hart van Afrika. Maar toch: omwegen, naar waar ik nu ben. Naar huis. Het moest wel zo, het kon niet anders; ik heb met een kromme stok toch een soort van ridderkruis willen slaan. Iemand moet het doen. Een serie Homerische homeruns.

Submit to FacebookSubmit to Twitter