Oeverloze verwondering

Ruben Hofma over Jaja de oerknal, 11 juni 2013

 

Tien jaar geleden verscheen haar debuutbundel Twee zonnen. Dit jaar is het tijd voor een andere galactische titel, Jaja de oerknal. ‘Jaja’ kun je op verschillende manieren opvatten, kies uit: “Ik weet hoe het verhaal gaat dus zwijg nou maar”, “Ik weet hoe het verhaal gaat maar ik geloof het niet” of simpelweg een zucht van verwondering die geen begrip biedt.

 

 

Maria Barnas schreef de titelwoorden waarschijnlijk vooral vanuit onbegrensde verwondering. Dat is trouwens al langer haar specialiteit. In een interview dat verscheen in Poëziekrant nummer één van 2006, zegt Barnas dat ze helemaal niets zeker weet. “De werkelijkheid is voor mij per definitie raadselachtig.”

Die onthechte houding zorgt voor de verwondering die steevast uit haar werk blijkt. Maar ook voor angst, waarover het meerdere keren gaat in de nieuwe bundel. Verwondering en angst komen samen in ‘Fragmenten’:

 

Fragmenten

Lees gedicht

 

Fragmenten

 

Het is de lucht die in grijzen samentrekt.

Een mondhoek die zwerft.

 

Het is een boomtop kaal en overbelicht

die net tot de ramen reikt van de derde verdieping

 

in een huis met een gang waar het licht het niet doet

en de kattenbak stinkt. Het is een kind.

 

Het is de schreeuw van het kind dat van zich afslaat

in slaap. En het is slaap. Het is deze wereld

 

die me bekend is en vreemd. Dit is mijn leven

probeer ik binnensmonds. In het gepleisterde

 

huis met de tollende plafonds aan de overkant.

In het witte scheepje dat zich als moment

 

aanmerend en verlatend voltrekt. In het water

dat de kade ontglipt. In de vingers aan mijn hand.

 

Maria Barnas

 Haar werk is gek genoeg minder een chaos dan de ruwe, onbewerkte werkelijkheid zoals deze een-op-een voor Barnas moet zijn. Haar tweede dichtbundel, Er staat een stad op, heb ik niet in huis, maar Twee zonnen wel. Net als in Twee zonnen hanteerde ze bij de uitwerking van gedichten in de nieuwe bundel veelal een geordend uiterlijk van distichons, terzinen en kwatrijnen of in elk geval nauwelijks onregelmatige strofenbouw.

 

Misschien is het voor de dichter de manier om haar verwondering goed op papier te kunnen krijgen en misschien is het zelfs de manier om een stukje van haar angst te verwerken. Hoe dan ook, een geordend gedicht als de distichon hierboven is een genot voor het brein en de oren, want hoor dat ritme, die rijm en klemtonen wanneer je het hardop leest!

 

De dichter doet hier en daar aan klankrijm, assonantie en ritme, zie ‘Istanbul: ‘De stromende mannen de meanderende vrouwen’ en ‘de lichamen / die zich al wadend wanen in de zon. Ik volg het water’) en ‘Minderende man’ (‘de boeken / bestaan uit mij begint het klein in mij te dreinen.’ Ze formuleert veelzeggend, zoals in ‘Fragmenten’ en in ‘Kijk’: ‘Ik werp een blik uit het raam alsof dit kijken / een steen is terwijl jij vis vraagt.’ Het gebruik van enjambement zorgt op veel plekken voor mooie effecten, bijvoorbeeld in ‘Fragmenten’.

 

Een enkele keer kan de verbaalgeworden verwondering van Barnas mij niet bekoren, zoals in ‘Pistolet’ en ‘Dilemma’, waar de poëzie naar mijn idee weinig poëtisch is en het meer lijkt te draaien om de humor. ‘Dilemma’ toont verwarring door alledaagse tegenstrijdigheden, bijvoorbeeld het minieme maar beangstigende verschil tussen (consumptie)aardappelen en aardappels:

 

Lees gedicht

 

*

 

Consumptieaardappelen staat er op een zak

aardappels die ik kocht bij de supermarkt.

Bewaren: op een donkere, droge plaats

(mag ook in de koelkast).

 

Maria Barnas

 Gedichten die qua uiterlijk het meest opvallen, zijn het omvangrijke ‘Waar men bang voor is’, opgebouwd uit een opsomming in dertien sextetten, en ‘Oeverloos’. Dat gedicht gaat zo:

 

Lees gedicht

 

 

De ‘o’ van dood.

 

Maria Barnas

Wil de dichter hiermee onder meer zeggen dat ze denkt dat de dood iets oneindigs is, zoals de ‘o’ en de titel doen vermoeden? Er staat een punt achter deze eenregelige onvolledige zin, maar die punt staat er altijd aan het einde van Barnas’ gedichten. Ze laat met dit gedicht zien dat ze geen beperkte opvatting heeft van wat poëzie is. Er zijn er die zich misschien hardop afvragen of dit poëzie is. Ik vind van wel. De zin is poëtisch, maar wat er vooral toe doet is dat de titel ‘Oeverloos’ en de inhoud ruimte maken voor een zee van wit op de rest van de pagina en de pagina ernaast. De zucht van verwondering in zijn, binnen de grenzen van een dichtbundel, opperste visualisatie?

 

Maria Barnas, Jaja de oerknal. De Arbeiderspers, Amsterdam 2013, 52 blz., € 18,95. 

Submit to FacebookSubmit to Twitter