door Len Borgdorff, 10 april 2018

 

Gelukkig dijt ook haar wereld uit, anders zou ze op haar twintigste al haar vinger opsteken. ‘Wat is er, Liesje?’ zou de juffrouw vragen en zij zou zeggen: ‘Ik heb het af.’ ‘Wat heb je af, Liesje? En tegen wie praat je eigenlijk.’ ‘Ik heb het af, juf, het leven. Helemaal klaar!’ Liesje slorpt het leven met emmers tegelijk naar binnen. Al lijkt dat soms wel steeds meer ten koste te gaan van haar concentratie.

 

 

De dikke bundel met de versjes van Superguppie zijn een uitkomst. Zij heeft intussen gezien dat ik dichtbundels vaak op een willekeurige bladzij opensla en regelmatig of naar voren of naar achteren blader om daar weer iets te lezen. Die rommelige aanpak spreekt haar wel aan. Nu ze Superguppie is alles ziet liggen, doet zij dat ook. Ze pakt de bundel, slaat die open en leest.

´G… eur… Het is w…arm in de stad maar dat g…eeft niet want ik loop langs me, ik loop langs mev, mevr…’ Ze loopt naar me toe. ‘Wat staat hier?’ ‘Mevrouwen.’

‘Ik loop langs mevrouwen en ik hoed, nee, ik houd mijn neus…’ Ze schuift het boek weer naar me toe.

Even later zitten we samen op de bank en lees ik haar voor. Ze kruipt tegen me aan. Of ze luistert weet ik niet. Mente komt ook op de bank zitten, ze doet intussen de sperziebonen. Klaas kruipt over de grond met wat autootjes en eindigt bij de voeten van zijn oma. Hij speelt nog met de autootjes, maar hij droomt, merk ik, weg, op de gedichten. Terwijl ik ‘Weer’ voorlees, zie ik dat hij niet langer met de autootjes speelt. Hij luistert naar het gedicht. En hij luistert niet. Hij kijkt omhoog en staart naar het gezicht van zijn oma. Het is een kijken op het ritme van de versjes. Ik moet me vooral niet verspreken en de pauzes goed in de gaten houden. Bij het slot valt wat hij voelt en hoort samen, je kunt het zien.

 

Maar nu

ben ik dus blij,

zo blij de hele dag.

Waarom dan?

Gewoon –

omdat ik het zag.

 

Lees gedicht

 

Weer

 

Er was wind

en er was zon,

en de wind begon de zon

langs mijn gezicht te blazen.

Daarna nam de zon

de wind maar weer te grazen:

ze legde hem plat voor me neer,

op de grond.

En ik? Ik stond

er stilletjes bij,

en dacht: niet mee bemoeien,

het weer is aan het stoeien.

Maar nu

ben ik dus blij,

zo blij de hele dag.

Waarom dan?

Gewoon –

omdat ik het zag.

 

Edward van de Vendel

‘Tent’ is de volgende. Maar als het woord kamperen valt, springt Liesje overeind, trekt een tafellaken uit de kast en gooit dat over twee stoelen. ‘We gaan kamperen, Klaas.’ Haar broertje komt eerst nog even naar de plaatjes kijken. ‘Toen jij geboren was, kwam die uit een doos. Dat stond op je geboortekaartje.´ Ik wijs naar de hond die Fleur van der Weel tekende. ´Nee!´ roept Liesje vanuit haar tent. ´Dat was Superguppie niet, dat was Piep.´

Maar goed, nu gaan ze kamperen. In de keuken.

 

Edward van de Vendel, ill. Fleur van der Weel, Superguppie is alles. Em. Querido’s Kinderboeken Uitgeverij, Amsterdam / Antwerpen 2016.

Submit to FacebookSubmit to Twitter