door Len Borgdorff, 27 maart 2018

 

De heugelijkste christelijke feestdag mag de zondag zijn van Pasen, de dag die me het dichtst op de huid zit, is Stille Zaterdag. Op Pasen wordt me om de oren getrompetterd dat de Heer waarlijk is opgestaan en Halleluja en zingen we ook het hoogste lied vanwege ‘de dood teniet’, om daarna eieren te verstoppen of te laten vinden in de hof van Jozef van Arimathea. Maar in de twee millennia na de opstanding van Christus is er teveel gebeurd om dit heilsfeit meer dan een voorschot op een mogelijke toekomst te noemen. Een teken van hoop, niet de realiteit van alledag. Het is al tweeduizend jaar Stille Zaterdag en wij zitten met een lijk waarvan we hopen dat het iets gaat doen of dat er iets uit voorkomt.

 

 

Dit jaar is de weg naar Stille Zaterdag geplaveid met gedichten uit de bundel Genadeklap van Willem Jan Otten. Ik krijg er maar niet genoeg van.

 

En dan blijf ik nu ook nog hangen bij hetzelfde gedicht als vorige week, waarin de door Hans Holbein in zijn graf geschilderde Christus ’s nachts opstaat en Basel in loopt. Dus niet een tuin zoals de echte Christus dat op paasmorgen deed, maar een nachtelijke stad. Het is nog Stille Zaterdag.

 

In hem klinken alle stemmen van de dag,

alle vingertoppen voelt hij, ondanks de suppoost.

 

Geen sprong verlost mij van verrijzen.

Hij staat nu op de stenen rand,

pal naast de jongen met de capuchon,

 

en staart mee de diepte in,

het kolken daar van de rivier

die nooit voorbij zijn kolken komt.

 

Dit is het slot van het lange, titelloze gedicht en daarin komt maar één keer ‘mij’ voor (en een keer ‘ik’, wanneer de gedachte van een passant wordt weergegeven). Is dat Jezus die dat zegt? Dat is wel een boeiende draai: het is nog geen Pasen, maar zoveel is duidelijk: de opstanding, het voortgaande leven is onontkoombaar.

 

Maar door dat ‘mij’ ben ik ook zelf degene die niet verlost wordt van de verrijzenis. Je zult maar D’66 stemmen en denken: genoeg is genoeg. Dan is dit toch weinig bemoedigend.

Er komt geen eind aan. Wij blijven staren naar het kolken dat nooit voorbij het kolken komt. Samen met de jongen met capuchon. Wie dat is? De zoon van Otten dacht ik onlangs. Maar dan ook mijn eigen zoon. Of Otten zelf natuurlijk, met zijn ruime zicht over de Sloterplas, die lijkt op de jongen met de ‘schoonspringdroom’ van vijftien jaar geleden? Is het de engel die een levende bij de doden vond?

Als die ander Christus is, ben ik dan de jongen met de capuchon, een caspardavidfriedrichachtige figurant die uitkijkt over land, zee of bergen en met wie elke toeschouwer zich onmiddellijk identificeert.

 

‘Stille Zaterdag’ zou misschien een iets te makkelijke titel zijn geweest voor dit gedicht, maar ik kan nu even geen gedicht bedenken dat beter past bij die bijzondere dag die me als gezegd zo dicht op de huid zit.

Rest nog even de vraag op welke politieke partij Otten stemt.

 

Willem Jan Otten, Genadeklap. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2018.

 

Willem Jan Otten, Op de hoge. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2003.

Submit to FacebookSubmit to Twitter