door Len Borgdorff, 7 november 2017

 

Tussen Driebruggen en Gouda, een smal onverhard fietspaadje, dat nu al wel geasfalteerd zal zijn. We hebben te maken met een zondagmiddag die doet alsof het niet al herfst geworden is, maar het eeuwig zomer zijn zal. Als ik mijn fiets van de auto getild heb en een paar minuten onderweg ben, begint plotseling mijn fiets te steigeren als een paardje, een klein rood paardje. Ik ruk aan het stuur alsof het leidsels zijn waarmee ik het paard in bedwang moet houden.

Wij weten wel beter. Niet mijn fiets krijgt het op zijn heupen. Het zijn mijn eigen heupen, het zijn mijn benen die spontaan driftiger op de trappers tekeer gaan, mijn eigen armen die onbeheerst aan het stuur beginnen te rukken.

 

 

Maar zo is het toch ook weer niet. Die lichtheid, die stijfheid van het frame, de directe wendbaarheid van het voorwiel, die drift om al trappend wat meer naar links en rechts uit te slaan. Dat komt van die fiets. En daar reageren mijn armen op, mijn benen, mijn billen ook, die zich loszingen van het zadeltje, en dan dat hoofd. Als ik een jongetje was geweest, zou ik een stuk op één wiel zijn gaan fietsen.

Ik heb het intussen even opgezocht, dit moet in 2005 geweest zijn. Ik zit me af te vragen waar de euforie van dat moment vandaan kwam. Was het de verlossing uit het blik van de auto, de onverwacht verlengde zomer? Ik weet het niet. Maar ook die fiets, die rood is, waardoor soms mijn bloed stroomt.

Van Rügen weet ik het nog dat we na dagen fietsen tentjes en verdere bagage achterlieten om naar de Köningsstuhl te rijden. We moesten klimmen maar zonder de bepakking was mijn fiets van een zo wonderbaarlijke lichtheid dat ik niet anders kan dan zo hard mogelijk fietsen om boven buiten adem aan te komen, met een brede smile op mijn gezicht die ik maar niet kreeg weggepoetst. Het was de fiets die lachte. Die rode.

Maar ik had het ook – en voor het verhaal is dit, vanwege de kleur en de bagage, minder gunstig – als ik de school achter me had gelaten en de zomervakantie begon. Vanwege algehele ongenietbaarheid mijnerzijds, trok ik me dan met fiets, tent en camera terug in Groningen of Friesland om daar enkele dagen volstrekt onbereikbaar te zijn. Dat is lang geleden dus, toen er nog geen mobieltjes waren. Dat ben ik dus ook geweest: een bruine fiets, minder strak en bovendien beladen.

Ik las het gedicht Stoel van Marije Langelaar.

 

Lees gedicht

 

Stoel

Ik stond naast een tafel en het verontrustte mij dat ik zo
alleen was en opeens hoorde ik het kloppen erg
zachtjes weliswaar maar iets maakte zich kenbaar.
Het was zo subtiel dat ik moest knielen, zo vond ik de
stoel en ik raakte het hout zoals je een tong raakt, ik
legde mijn vinger in een nerf, het begon onmiddellijk te
schemeren en dieren stonden om ons heen.
Inmiddels was ik al niet veel groter dan een speldenpunt
en innerlijk dronken de stoel zond mij zijn gedachten, vrij
technisch maar gevolgd door het ruisen van bomen
voor even, een seconde of drie werd ik stoel. Het was zalig, zalig
dat hout in mijn wervels! De klop in mijn been, een bestaan
zonder bloed of gedachten. En stil te staan eeuwig. En
opgetild. En altijd die functie en een
innerlijk waaien van de bomen afkomstig.

Marije Langelaar

 

Haar stoel zette mij op de fiets. Ook hier de extase, nu van het stoelzijn. In het gedicht is de ik wel een seconde of twee, drie stoel. Bij mij duurde de verrukking iets langer, maar ik denk dat ik in zelfverlies iets minder ver gekomen ben dan de ik in ‘Stoel’.

 

Er valt nog veel meer over te zeggen. Waarom was Hadewych en de heilige Theresia niet een fiets vergund of anders zo’n heerlijke stoel? En kunnen mensen niet ook elkaar tot fiets en stoel zijn? Ja, dat kan. Althans, het kan zijn dat de ene mens de andere tot fiets of stoel mag wezen en even niet weten wie wie is en wat. Wanneer het daar de tijd en de plaats voor is.

 

Marije Langelaar, Vonkt. Gedichten. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2017.

Submit to FacebookSubmit to Twitter