door Len Borgdorff, 31 oktober 2017

 

In de kamer hangt een schilderijtje van twee geëmailleerde kopjes. Ze zijn van een adembenemend blauw. Ik kijk er graag even naar. Op zolder staat een doos met een geëmailleerd poppenservies. Ook met hier en daar een charmante beschadiging.

Er had in de kamer even goed iets met twee fijn geschilderde uien kunnen hangen natuurlijk. Nee, wij hebben geen echte kopjes aan de muur gespijkerd en uien liggen in een keukenkastje, een paar meter verderop.

 

 

In verregaande onwetendheid keek ik lange tijd vol bewondering naar het omslag van As, vuur, de nieuwste dichtbundel van Hester Knibbe, één van de vrouwen met wie ik later, als ik groot ben, graag wil trouwen. Op het omslag staat een werk van Marcel Broodthaers afgebeeld. ‘La Malédiction de Magritte’ heet het. Alleen al vanwege dit omslag zou ik de bundel gekocht hebben.

Stel het je even voor: een achtergrond waarvan de bovenste helft een geschilderde wolkenlucht is en de onderste een azuurblauwe lucht waar in de linkeronderhoek de wat groeniger lucht van de bovenste helft doorheen piept. Voor de lucht hangt een smal open kastje, je kunt beter zeggen een dubbele door consoles verbonden plank. Ook beschilderd: de randen zijn zwart, wat zich van de vlakken van de planken laat zien, heeft de kleuren van de achtergrond. Op beide horizontale plankjes staan twee potjes, die gevuld zijn met de kleuren van de lucht. Het is allemaal geschilderd met een raffinement om jaloers op te worden. De schilder Magritte zelf kun je nog wel eens beschuldigen (ik schreef per ongeluk eerst ‘beschilderen’)  van een technische onvolkomenheid, maar Broodthaers overtreft zijn inspirator.

In de glazen potjes zitten de elementen om een wereld mee te maken, kun je zeggen. In dit geval, een lucht met wolken. Of omgekeerd: in de potjes vind je de elementen die uit de werkelijkheid gehaald zijn in een poging om iets van die werkelijkheid te bewaren.

 

Ik haal er even een gedicht bij uit de bundel.

 

Wat

 

Hij vond langs de weg een steen

en raapte die op. Onder zijn zolen

 

verkreukelden kruiden en gras, hij

tilde een voet op, verzamelde ook wat daar

 

gebroken geknakt lag. Van elke dag

nam hij wat: foto handje met schelpen blad

 

toevallige vondst op zijn pad en

was het mogelijk geweest had hij

 

plukjes lucht meegenomen. De mier

liet hij lopen, kwam niet aan spinnen torren

 

vlinders, volgde vogels alleen met zijn ogen

en wind was geen bijzaak. Water

 

glipte hem tussen de vingers en tijd

kraste slordig parafen in en onder zijn huid.

 

De man in het gedicht waagt zich net als Boordthaers niet aan het levende leven. Daarvoor moet je God zijn, of, om het, tervergeefs, te proberen, Achterberg.

Intussen maakte het omslag me droeviger toen ik had gezien dat het kastje een beetje uit het lood hangt. Zou dat zijn omdat het potje linksboven iets verder uit het midden staat dan de rechterpendant? Of schuift het linkerpotje met wolk langzaam, heel langzaam, je ziet het niet, naar de rand om zich uiteindelijk in een afgrond van mediterraan blauw te storten? Zoals ook wij onzichtbaar en onstuitbaar ouder worden, en in en onder onze huid slordig gekraste parafen krijgen?

 

Het zou eigenlijk verboden moeten worden dat een fijnschilder zoveel literairs in zijn schilderij stopt. Ik verwijl met poëzie en omslag in de schone vergeefsheid van ons verlangen tot bestendiging. Maar!

 

Vorig jaar liepen wij, Mente en ik, het Museum Voorlinden binnen. ‘Hoe laat had jij die afspraak ook alweer?’ vroeg Mente. ‘Half drie.’ Een kleine berekening maakte duidelijk dat we hooguit een half uur hadden om het museum te bezoeken. Dat vonden we te kort. We zijn weer naar buiten gelopen.

Hadden we dat niet gedaan, waren we naar binnen gelopen dan had ik gezien dat het schilderij van Broodthaers helemaal geen schilderij is maar een object. Aan de geschilderde achtergrond hangt het tweetal planken met daarop met kleurstof gevulde potjes. Het zit, kun je zeggen, nog dichterbij de werkelijkheid dan je zou denken.

 

En dat ontdek ik nu pas. Het is misschien maar beter om deze blunder te verzwijgen en iets anders te schrijven. Het is maandagmorgen, kwart over tien, dus je komt vast nog wel op iets anders, probeer ik me te bemoedigen.

Maar zo is het niet. Het is nu pas maandagmorgen, kwart over tien, en nu al ben ik uit het lood geslagen.

 

Hester Knibbe, As, vuur. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2017

 

Marcel Broodthaers, La Malédiction de Magritte. Te zien in Museum Voorlinden te Wassenaar.

Zie ook: https://www.buitenbeeldinbeeld.nl/Voorlinden/BroodthaersM.htm

Submit to FacebookSubmit to Twitter