door Len Borgdorff, 10 oktober 2017

 

Dit wordt een stukje ter bemoediging voor de droeve columnist en zijn weemoedige journaliste. In zijn kleine verslag van de zaterdag waarop ik dit schrijf, treurt de columnist om de dood van de burgemeester en zucht hij om de raadselachtige verdwijning van de jonge vrouw die niet alleen een stadgenote is van hem, maar die hem doet denken aan zijn eigen dochter die zo vaak de route fietst waarop de jonge vrouw verdween. Ik beweeg met zijn woorden mee, want ik herken veel: de burgemeester om wie immers iedereen treurt en de verdwenen jonge vrouw omdat zij ook mijn stadgenote is, omdat zij mij doet denken aan mijn fietsende dochter, omdat die dochter dezelfde naam draagt als de verdwenen vrouw.

 

 

De journaliste schrijft vandaag in diezelfde krant over haar (lees liever: hún) aanstaande verhuizing. Zij zien er tegenop, tegen die verhuizing, die meer een beslissing van het hoofd lijkt dan van het hart, maar, ach, wat is een hart?

De columnist heeft eerder al verschillende verslagjes aan die dreigende verhuizing gewijd. Er is meer praktische noodzaak, zo heb ik de indruk, dan spontane en bovendien aanhoudende wil. Zij houden me bezig, de journaliste en haar columnist, ook al omdat zij hier maar een paar huizen vandaan wonen. Hun straat is mijn straat, volgens de postbode is soms mijn brievenbus die van hun en hun uitzicht is mijn uitzicht. Daaraan valt eerlijk gezegd architectonisch en weidsheidelijk weinig te beleven als je door het raam de straat inkijkt, al is er een essentieel en poëtisch verschil: de moerbeiboom. De columnist noemde de boom in een eerdere column en vereeuwigde zijn uitzicht op Twitter, want die boom staat voor het raam van zijn werkkamer. Onze werkkamers zijn inwisselbaar: zelfde ligging, zelfde uitzicht, wanden met boeken, er is veel wit en de werktafel staat voor het raam. Maar zij hebben de moerbeiboom die mij ontbreekt.

Een al meer dan honderd jaar geleden overleden dichter en stadgenoot luidde de twintigste eeuw in met ruisende moerbeitoppen.

 

 ‘ 'De moerbeitoppen ruischten;'

          God ging voorbij,’ zong hij.

 

Lees gedicht

 

De moerbeitoppen ruischten

 

  'De moerbeitoppen ruischten;'

          God ging voorbij;

    Neen, niet voorbij, hij toefde;

    Hij wist wat ik behoefde,

          En sprak tot mij;

 

    Sprak tot mij in de stille,

          De stille nacht;

    Gedachten, die mij kwelden,

    Vervolgden en onstelden,

          Verdreef hij zacht.

 

    Hij liet zijn vrede dalen

          Op ziel en zin;

    'k Voelde in zijn' vaderarmen

    Mij koestren en beschermen,

          En sluimerde in.

 

    De morgen, die mij wekte

          Begroette ik blij.

    Ik had zo zacht geslapen,

    En Gij, mijn Schild en Wapen,

          Waart nog nabij

 

Nicolaas Beets

 

Ik stel het me voor dat God door de straat loopt − wat in de Nederlandse literatuur overigens niet eens al te ongebruikelijk is.

God ging dus voorbij. Maar dan volgt de bekendste zelfcorrectie uit de vaderlandse poëzie: ‘Neen, niet voorbij, hij toefde.’ En dat terwijl de bladeren van de moerbei ruisten.

Misschien toefde hij nu ook wel voor het huis van het door verhuizing bedreigde schrijverspaar, enkele huizen verderop. Ter vertroosting misschien, zoals de regenboog dat deed niet alleen na de Bijbelse vloed, maar ook na het verscheiden van de burgemeester (de columnist verwijst ernaar in zijn verslagje van vandaag). Ter vertroosting. Of ter bemoediging.

Waarvan? Dat weet je bij God nooit helemaal zeker. Maar hij blijft totdat zij besloten hebben en vertrekken met het hoofd. Of blijven met het hart.

Als ik nu het raam open doe en mijn hoofd naar buiten steek, zie ik de moerbeiboom. Even kijken of er iemand bij staat.

 

 

Nicolaas Beets, Gedichten. Volledige Uitgave naar tijdsorde gerangschikt. Vijfde deel. A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij, Leiden [z.j.] 4de druk.

 

De foto van internet is waarschijnlijk gemaakt door de columnist.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter