door Len Borgdorff, 3 oktober 2017

 

De katten en de hond die ooit op mijn bed of schoot sprongen omdat ik hun thuis was, zijn voltooid verleden tijd. Zij kunnen mij niet herinneren aan Werelddierendag en de ongewilde aanstichter van die dag, Franciscus van Assisi. Maar die leeft na zijn sterfdag voort in zijn Zonnelied, dat is dat lied waarvan talloze bewerkingen en vertalingen en minstens evenveel toonzettingen bestaan (maar waarin geen dier voorkomt). De mensheid heeft het omhelsd en krijgt er ook na bijna een millennium maar niet genoeg van. Dat besef stemt me droef.

Misschien maak ik wel geen deel uit van de mensheid, want broeder zon, zuster maan en zuster dood, ze doen het niet bij mij. Ze raken me niet, raken me niet aan.

 

Lees gedicht

 

Het Zonnelied

Allerhoogste, almachtige, goede Heer,

van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegen.

U alleen, Allerhoogste, komen zij toe

en geen mens is waardig uw naam te noemen.

Wees geprezen, mijn Heer met al uw schepselen,

vooral door mijnheer broeder zon,

die de dag is en door wie Gij ons verlicht.

En hij is mooi en straalt met grote pracht;

van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.

Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.

 

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind

en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde,

door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water,

die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur,

door wie Gij voor ons de nacht verlicht;

en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster, moeder aarde,

die ons voedt en leidt,

en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.

 

Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde

vergiffenis schenken, en ziekte en verdrukking dragen.

Gelukkig wie dat dragen in vrede,

want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood,

die geen levend mens kan ontvluchten.

Wee hen die in doodzonde sterven;

gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,

want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.

 

Prijs en zegen mijn Heer,

en dank en dien Hem in grote nederigheid.

 

Franciscus van Assisi

 

 

Ik ben onderweg naar de presentatie van een bundel gedichten die reageren op het Zonnelied. Ook ik had mogen meedoen. En wat zou het heerlijk zijn geweest als ik straks een bundeltje in handen mocht houden met daarin ook enkele uiteraard mooie gedichten van mij.

Maar zo is het niet. Toen ik werd uitgenodigd om mee te werken aan het project, klikte de deur in het slot en wist ik: het zal me niet lukken een gedicht te schrijven bij het Zonnelied. Alsof de zon niet ook voor mij zou schijnen, alsof ik niet zeer intens naar de hemel heb getuurd en mijn ogen over Gods schepping heb laten grazen! Alsof ik niet in de voetsporen trad van Franciscus van Assisi, niet zijn geboorteplek bezocht, zijn graf, niet ook de plaats bezocht waar hij zijn Zonnelied in ellendige omstandigheden dicteerde. Maar het heeft niet gebaat.

Franciscus was zwak en ziek en misselijk en de vele muizen in zijn duisternis waren bepaald niet zijn vrienden. Bovendien had hij het idee gefaald te hebben; zijn missie was mislukt, meende hij.

Maar ‘God geeft het zijn beminden in de slaap’ zegt psalm 127. In dit geval zei God ’s nacht tegen hem: ‘Van nu af aan mag je je zo veilig voelen alsof je al hier bij me was, in mijn rijk.’ De volgende morgen ontstond zijn Cantico del frate Sol.

Ja, ik slaap en sliep goed, geen muizenissen ook, maar wat me in mijn slaap is overkomen, is nog te weinig om twee regeltjes op rijm te zetten.

 

Ik ben minder dan de nietswaardige uit de vierde versregel:

et nullu homo ene dignu te mentovare.

Ik ben niet eens in staat om een puntenslijper aan te spreken. Minder ben ik dan een mens, dan de hond die woensdag mogelijk een vegetarische plakje worst krijgt toegeworpen, minder nog dan de krekel die acht dagen mocht verkeren in Franciscus’ nabijheid.

En nu zit ik dus in de trein, op weg naar een feest van en voor zusters en broeders lief die zich wel bezield wisten door het lied van Franciscus. Door mijn hoofd raspt intussen weer de stem van Marianne Faithfull. ‘Sister Morphine’ zingt ze.

 

Misschien, wanneer ik nog iets verder zink,

springt plots dit lied een keertje voor me open.

Dan is het slimmer daarop niet te hopen.

 

 

De vertaling van het Zonnelied en informatie over Franciscus:

Gerard Pieter Freeman, Umbrië, In de voetsporen van Franciscus. Valkhoff Pers [Nijmegen], 20175

Fiet van Beek en Wim Zijlstra (red.) Zusterlief Broederlief. Uitgeverij Anderszins 2017.

Submit to FacebookSubmit to Twitter