door Len Borgdorff, 26 september 2017

 

‘Er achteraan / een grote vogel-loze stilte. En daarna / water dat rimpelloos blijft staan.’ Terwijl Menno zijn notitieblokje dichtdoet, verontschuldigt hij zich. Hij had niets beters kunnen bedenken dan de redactievergadering te beginnen met dit gedicht van Larkin dat zo in mineur eindigt. Joyce doorbreekt de kille stilte die ons bevangen heeft. Niet alleen haar naam is een bron van vreugde, ook haar stem, de opmerking die ze erbij maakt en de onbevangen blik waarmee ze de ogen van Menno vangt. ‘Ik vind dat slot helemaal niet zo droevig. Juist niet. Het is de rimpelloosheid die de belofte kan zijn van een nieuw begin,’ zegt ze.

 

 

 

Ik haak gretig aan bij haar reactie: als voorzitter is me er veel aan gelegen om deze bijeenkomst open en zonnig te laten verlopen, heb ik me voorgenomen. We gaan het gedicht nog even langs. Niemand zegt iets over de vertaling ervan, die, dat weet iedereen, natuurlijk van Menno zelf is. Hij zit zogezegd zelf nog midden in het gedicht.

 

Er is maar één schip naar ons onderweg, een jacht

met zwarte zeilen, zonder naam. Er achteraan

een grote vogel-loze stilte. En daarna

water dat rimpelloos blijft staan.

 

Lees gedicht

 

 

Volgende, graag

 

Wij kijken gretig naar de toekomst uit, zodat

we als vanzelf teveel gaan afwachten.

Steeds is iets onderweg, wij gaan er klaar voor staan:

‘Het komt eraan’.

 

We zien vanaf een heuveltop, haarscherp maar klein

een vloot beloften glimmend dichterbij drijven

maar o zo langzaam; tijd, die daar verloren gaat:

er wordt geen haast gemaakt.

 

Toch hebben we de bloemen nooit gekregen,

alleen verlepte stelen. Niets houdt ze ooit tegen,

de schepen komen wel, het koper mooi gepoetst,

en ieder touwtje goed,

 

de vlag in top, boegbeeld met gouden tieten

die onze kant op wijzen, maar het anker zakt niet,

zo gauw iets arriveert, is het voorbij

en zo de hele rij.

 

Bij elk schip dachten wij dat het zou aanleggen

en alle goeds uitladen waar wij recht op hebben

omdat we braaf en lang hebben gewacht:

verkeerd gedacht.

 

Philip Larkin (1922-1985)

 

‘Gisteren ben ik bij de Wijde Blik van mijn fiets gestapt om een foto te maken,’ vertel ik. Dat zou geen prachtige plaat worden. Ik maak graag foto’s als vlaggetjes bij momenten van genot; niet bij alle momenten, hoor, laat niemand zich iets in het hoofd halen, maar bijvoorbeeld wel regelmatig als ik wandel of fiets. En zo was het dus gisteren.

Ongetwijfeld zouden de bomen met dat tegenlicht veel zwarter op de foto komen dan me lief is en ik rommelde dan ook nog wat met diafragma en sluitertijd om daar misschien iets aan te doen. Met als gevolg dat het natuurplaatje verstoord werd door een sloep vol mensen, ongetwijfeld collega’s die een personeelsuitje vierden. Toch nam ik de foto. Toen ik daarna de camera langzaam liet zakken, zag ik niet meer één sloep, maar waren het er drie geworden. Drie sloepen, elk goed voor twaalf, maakt 36 personen. En allemaal zwaaiden ze naar me. Ik zwaaide terug, met een grijns die ze ongetwijfeld niet hebben kunnen zien, maar mijn zwaaiende hand zagen ze wel, en ik zag hun handen.

‘Het hoeft helemaal niet erg te zijn als een boot zijn anker niet laat zakken om jou van een gedroomde vracht te voorzien. Ik heb in ieder geval genoten van die voorbijvarende sloepen, ook toen ze allang uit zicht waren en ik weer op mijn fietsje zat. Kijk, dat is Larkin vergeten mee te nemen in zijn gedicht.

Gaan we naar punt 2 van de agenda.’

 

Philip Larkin, ‘Next, Please’ in: XX Poems, Carswels, Belfast 1951

Zie bijvoorbeeld: http://famouspoetsandpoems.com/poets/philip_larkin/poems/14537

Vertaling Menno van der Beek, augustus 2017

Submit to FacebookSubmit to Twitter