Door Len Borgdorff, 31 juli 2017

 

Hoe het eruit ziet, weet ik niet, maar het kan niet anders of van het Alpejagerslied moet iets fysieks te vinden zijn in de hersenpan van de gemiddelde Nederlander of Vlaming. Als ik me een DNA-keten voorstel dan moet er − hooguit zichtbaar onder een microscoop uiteraard, maar desondanks zichtbaar − zoiets zijn dat we het Alpejagersgen kunnen noemen. Zelf stel ik me daar een muizentrappetje bij voor, gevlochten uit een roze en een gele papierstrook. In dat trappetje, ergens in ons brein opgeslagen,  plopt bij een lichte prikkeling al weliswaar niet het complete gedicht van Van Ostaijen tevoorschijn, maar de namen Hinderickx en Winderickx dringen zonder spelfout onmiddellijk tot ons bewustzijn door, gevolgd door twee hoeden, de aarzeling en daarna is er een klimmen en een dalen dat nauwelijks weerstaanbaar bezit van je wil nemen, zodat je knieën meteen raar gaan doen. Ja, het Alpejagerslied is intussen een dingetje in onze hersenen.

 

 

Deze wetenschap heeft zich gisteren aan mij geopenbaard. Ik stond met Gerard te praten. Gerard is een grote heer met een voorname uitstraling. Die behield hij in zijn zomers gestreepte linnen colbertje toen de minstens een hoofd kleinere Herman zich bij ons voegde. Niet een kop, maar een hoofd, zeg ik, want hij mag dan veel kleiner zijn dan Gerard, ook Herman is een heer. Zijn jasje was, zo merkte hij op, het pendant van Gerards colbertje: hij katoen met blauwe en witte strepen, Gerard een linnen met witte en blauwe. De heren namen elkaars jasje op.

 

‘Bovendien,’ zei ik tegen Herman, ‘lopen bij jou de strepen omhoog en bij Gerard gaan ze omlaag.’

 

‘Hinderickx en Winderickx,’ riep Herman, en Gerard pareerde: ‘de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende.’ En toen betrapten we onszelf op knieën die zich wilden spannen om de afdaling aan te gaan of de opgaande helling te kunnen trotseren. ‘Het Alpenjagersgen,’ wist ik opeens.

 

Lees gedicht

Alpejagerslied

Voor E. du Perron

Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed
elkaar voorbij
vlak vóór de deur
van de winkel
van Hinderickx en Winderickx
van de beroemde hoedemakers
dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
eenmaal aan elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd
men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren

 

Even was ik bang dat Herman per ongeluk zijn appelsap op zijn hoofd zou zetten en Gerard zijn koffie, want als het Alpenjagerslied je eenmaal te pakken krijgt, neemt het je volledig mee. Maar het bleven heren, gelukkig.

 

Paul van Ostaijen, Verzameld werk / Poëzie II. Bert Bakker, Amsterdam 19796.

 

Hoe maak je een muizentrappetje? Zie: https://www.youtube.com/watch?v=I3aZC80NN4Y

Submit to FacebookSubmit to Twitter