door Len Borgdorff, 12 juni 2017

 

Om even bij stil te staan: in 1967, dus op de kop af vijftig jaar geleden, kreeg ik mijn eerste dichtbundel cadeau. Dat was voor mijn vijftiende verjaardag. Ik kreeg hem van Gerard Ram met wie ik een jaar daarvoor een vriendschap was aangegaan die intussen voor het leven blijkt te zijn. Dat ik zowaar een heuse dichtbundel cadeau kreeg, maakte meer indruk op me dan de bundel zelf deed. Het mooiste daarvan vond ik nog het omslag waarop in snelle, zekere bewegingen een visser in een bootje is afgebeeld die een net omhoog haalt. Dat denk ik tenminste. Het kan ook zijn dat de man een hengel in zijn hand heeft, waarvan de top in het water is verdwenen, maar dat lijkt me toch nogal onwaarschijnlijk. Daar komt bij dat in het laatste, lange gedicht sprake is van een visser met een net.

Het gaat om een tekening in zwart krijt. Daarmee heeft Paul Grégoire ook de naam van de bundel op het blad gekalligrafeerd: DICHTERBIJ staat er, en ook in kapitalen, maar iets kleiner: GABRIEL SMIT.

In bruin krijt is voorbladvullend een engel door het tafereel van de visser getekend. We zien de engel op de rug. Die engel figureert ook in dat laatste gedicht uit de bundel. De tekening imponeerde en dat zat hem vooral in het gemak waarmee Grégoire wat grove arceringen had aangebracht. Dat wilde ik ook zo graag kunnen. Zoals ik ook graag zulke kloeke letters in houtskool, zacht potlood of krijt wilde kunnen maken, zelfverzekerdheid, goed van proportie en toch snel. Bij mij las je van zulke letters altijd nog de kramp in mijn vingers af.

Gerard had dit omslag makkelijk ook zelf kunnen maken, bedacht ik.

 

Met de gedichten had ik meer moeite. Ik voelde me erg klein en onvolwassen in deze ernstige wereld van de poëzie. Wel zag ik meteen een beeld bij het eerste gedicht, openingsgedicht van de reeks ‘Gesprek met een nachtelijk landschap.’

 

Lees gedicht

 

I

Er valt een landschap binnen

dat zegt: Ik lig de hele nacht

open voor wie niet slapen kan

en misschien ook voor de blinden.

 

Ik vraag: Wat zou je dan willen?

Antwoord: Dat jij het zeggen zal,

dat jij nauwkeurig vertelt wat

ik zonder licht klaar heb liggen.

 

Ik weer: Je hebt dus het gevoel

vergeefs te zijn. Je hebt kleine

struiken van innigheid die niets doen,

 

want niemand ziet ze, hun bloei

is zwart. Denk je daarom: ze verdwijnen?

Niets verdwijnt wat zich opendoet.

 


Er valt een landschap binnen

dat zegt: Ik lig de hele nacht

open voor wie niet slapen kan

en misschien ook voor de blinden.

 

Ik lees en herlees, terwijl Ringo Starr vanaf het platenspelertje beweert dat hij het wel redt met ‘a little help from my friends’, laat me afleiden door ‘the benefit of mister Kite’. De muziek staat zacht. Het is nacht. Ik laat de bundel even voor wat die is en kijk vanuit het zolderraam over het donkere Westland. Als ik tientallen jaren later ’s nachts door het Westland loop, zou me opvallen dat het daar niet meer donker wordt, met al die kasverlichting.

Maar de vijftienjarige daar voor het raam, denkt aan de duinen waarlangs hij ’s ochtends en ’s middags naar school fietst en terug, en die ’s nachts als hij terugkomt van een feestje uit Den Haag zo omineus onzichtbaar kunnen zijn.

 

Maar aan een dialoog met een al dan niet nachtelijk landschap is de jonge Westlander dan nog niet toe. Dat zou later pas komen, voor hem en misschien nog wel meer voor vriend Gerard.

Hoe kwam hij op het idee om me deze bundel cadeau te doen toen? Ik zal het hem vragen, maar ik vermoed toch dat het omslag de doorslag heeft gegeven. En het papier dat voor de bundel werd gebruikt. Al is dat natuurlijk wel een beetje sneu voor Gabriël Smit.

 

Gabriël Smit, Dichterbij. Uitgeverij Het Spectrum N.V., Utrecht/Antwerpen 1964.

Submit to FacebookSubmit to Twitter