door Len Borgdorff, 6 juni 2017

 

Anneke zat ooit voor me. Dat was in de derde klas van de middelbare school. Aan leren had ik een hekel, maar dat compenseerde ik met spiekwerk. Nu leidde Annekes prachtige, zacht golvende en glanzende donkerblonde haar dat ver over haar schouders viel tot op het blad van het tafeltje waaraan ik zat, me behoorlijk af, ook bij repetities. Daardoor ontging me regelmatig de stille hulp die zij me bood. Dan leek de weelde van haar kruin met een zwaai herschikt te moeten worden. Dat gebeurde zo langzaam en daarbij bewoog ze met haar hoofd zo ver naar links dat ik alle tijd had om de antwoorden die zij op gestelde vragen had gegeven rustig kon lezen om ze daarna, als alle weelde voor me weer tot rust gekomen was, op mijn eigen blaadje je te zetten. Maar de schoonheid van wat zowel een afleidingsmanoeuvre was als de weg naar een mogelijke voldoende voor mij was zo overweldigend dat ik me bijna alleen maar aan die gouden weelde vergaapte en niet aan spieken toekwam, ondanks mijn bedrevenheid daarin. En zo is het dus eigenlijk de schuld van Anneke dat ik dat jaar ben blijven zitten.

 

Misschien is het dan ook om het goed te maken dat zij, al hebben we elkaar intussen al een halve eeuw niet meer gezien, mij probeert te helpen door me een berichtje te sturen over een gedicht van Ed Hoornik. Misschien zou ik dat kunnen gebruiken om een stukje over te schrijven.

Onlangs werd namelijk op een vergeeld kladblaadje het eerste deel gevonden van wat later gepubliceerd zou worden als het sonnet Herdenken. Er wordt verondersteld dat Hoornik het gedicht schreef in gevangenkamp Vught. In de editie van zijn Verzamelde Gedichten van 2006 is de spelling aangepast en in regel 1 is het oorspronkelijke ‘bij Reynders’ vervangen door ‘op ’t stadsplein’. Dat laatste bevalt me niet. Iedereen kent Café Reynders toch wel. Het is een toop in de Nederlandse literatuur. Aanvankelijk, in 1948, toen het gedicht voor het eerst gepubliceerd werd, stond er nog Reynders en zo heeft in de jaren vijftig Victor van Vriesland het overgenomen in zijn bloemlezing Spiegel van de Nederlandse poëzie. Daar lees ik dit.

 

Lees gedicht

 

Herdenken

 

Een keer dat ik bij Reynders zat te droomen,

− de doode tram reed door het licht der maan;

de man met bloemen was net langs gekomen,

over de daken gleed een zoeklicht aan −

 

voelde ik zijn geest zoo na en zoo volkomen,

als was hij in ’t voorbijgaan blijven staan;

toen klonken voetstappen onder de boomen,

zijn leege stoel keek mij stompzinnig aan.

 

Vraag mij vandaag: denk je nog vaak aan hem?,

ik schud het hoofd: ach, al die jaren

zijn heengegaan als dwarrelende blaren.

 

Maar om een oogopslag of om een stem,

en soms alleen omdat ik eenzaam ben,

blijf ik in etalageruiten staren.

 

Graag had ik het over Reynders willen hebben, waar waarschijnlijk tientallen gedichten geboren zijn, of over die neiging van schrijvers om bepaalde biografische elementen in hun gedichten later te verdoezelen of over de regel ‘zijn leege stoel keek mij stompzinnig aan.’ Maar het zicht op mijn computerscherm en op de poëzie wordt me voortdurend ontnomen door een aangename herinnering. Ik varieer op Hoornik:

 

‘… zijn heengegaan die dwarrelende haren.

 

Maar om dat volle haar, niet om een stem,

ook niet omdat ik hier zo eenzaam ben,

zit ik een beetje naar mijn scherm te staren.'

 

Ed. Hoornik, Herdenken. In: Victor E. van Vriesland. Spiegel van de Nederlandse poëzie 4. De hedendaagse dichters. Eerste deel. Meulenhoff, Amsterdam 19683.

Submit to FacebookSubmit to Twitter