door Len Borgdorff, 29 mei 2017

 

Ruim twee jaar ben ik behept geweest met een niet te stuiten drang tot tekenen en schilderen, maar toen, ik was intussen zeventien, bleek mijn wanhoop vanwege mijn onvermogen om op het papier te laten gebeuren wat ik wilde, toch sterker. Daar heb ik niets vervelends aan overgehouden, gelukkig, maar wel twee plezierige ogen. Graag loop ik een galerie of een museum in en bij een boom of opstuivend zand kan ik me afvragen wat iemand met een stukje houtskool in de hand daarvan op het papier zou kunnen bakken. Of welke kleuren zij of hij op een palet zou zetten om te mengen om daarmee vervolgens met wat voor een kwast mee aan de slag te gaan, of met welk paletmesje.

Wat ik er ook aan overhield, is een regelmatig bezoek aan een winkel met benodigdheden voor kunstschilders. Dan gebeuren er wonderen. Bij de aanblik van pastelkrijtjes – o, die kleuren, die kleuren die zo kunnen blijven stralen – doemen op de achterwand van mijn langzaam leger, lucider wordende hersenpan, de contouren op van wat in realis een prachtige tekening zou hebben kunnen worden. Bij de olieverf wordt het beeld al minder concreet omdat ik dat altijd voor mij te overweldigend materiaal vond, maar ik kan het niet laten om even met mijn vingers langs de haren van al die kwasten te gaan met hun duizenden mogelijkheden.

Het langst blijf ik staan bij potloden en houtskool. Dat waren mijn dingen. Daar was ik minder bang voor. Het licht in mijn bovenkamer projecteert tientallen tekeningen. Een uurtje Van Ginkel of Swaak (maar ook buiten Utrecht kun je wel ergens terecht) doet wonderen.

 

Terwijl ik door Catalogus blader van Arjen Duinker en na het gedicht ‘Mouw bloem vogel vis’ verder ga met  ‘Bel bloem boog bel’– ik ben dan al een eind op streek in de bundel – zie ik eerst allerlei kleurige vlakjes door de lucht zweven. Ik moet aan Bart van der Leck denken, schildersbroeder van Mondriaan, de meest dromerige vertegenwoordiger van De Stijl. Het zal vast door de woonplaats van Duinker komen dat er terwijl ik verder lees allerlei werk in mijn hoofd opplopt dat gemaakt zou kunnen zijn door Jan Schoonhoven, ooit, net als Duinker nu, verknocht aan Delft. Plotseling zie ik Duinker bezig met het uitsnijden van woordjes als ‘vierkant’, ‘weggetje’, ‘wind’, ‘elleboog’ enzovoort, zoals Schoonhoven met stukjes karton, alsof het vormen zijn die hij vervolgens in een compositie zet van vier bij zeven centimeter, wat in termen van het gedicht neerkomt op telkens twee keer zeven regels van vier woorden.

 

Lees gedicht

 

Liniaal ruit liniaal zout

 

Liniaal ruit liniaal zout

Ventiel wolk wolk liniaal

Cijfer min cirkel zout

Weggetje elastiek stok voet

Vlakje bloem vlakje oor

Broek muurtje ruit cijfer

Bloem bel bloem boog

 

Vlak lip neus weggetje

Vogel vlieg bloem ventiel

Stoel stof wolk driehoek

Ruit wimper wolk wimper

Plus oor plus elleboog

Stoel weggetje vlieg vogel

Wind wolk plus elleboog

 

Arjen Duinker

 

Een paar gedichten verder, bij ‘Ballon touw steen bloem’, vormen de geregelde woorden net als de tubes en kwasten in de winkel de aanzet tot complete schilderijen en daarna worden het zelfs tot leven komende video stills. En als ik een gedicht herlees, ontstaat moeiteloos een ander verhaal. Zelfs de glimlach, vanaf het begin van het lezen al van mijn gezicht te lezen, verandert: er trekt iets aan mijn mondhoeken: ze moeten nog verder omhoog.

 

Arjen Duinker, Catalogus. Em. Querido’s Uitgeverij BV, Amsterdam – Antwerpen 2016.

Submit to FacebookSubmit to Twitter