door Len Borgdorff, 22 mei 2017

 

Dankzij de biografie van Janzen en Oerlemans over Willem Kloos lees ik eindelijk iets meer dan de eerste twee regels van sonnet LXI, waarin wordt geweend om bloemen die het al ‘vóór den uchtend van haar bloei’ moeten laten afweten.

 

Lees gedicht

 

LXI

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

 

Gij kwaamt, en 'k wist - gij zijt weer heengegaan…
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:

Ik zat weer roerloos nà die korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

 

Zo als een vogel in den stillen nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

 

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

 

Willem Kloos

 
Na de tranen om de niet ontloken liefde lees ik:

‘Gij kwaamt, en ‘k wist – gij zijt weer heengegaan…

Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken’.

 

Hoe kan hij in 1884 nog zo serieus deze regels geschreven hebben? Kloos zal toch het zeventien jaar eerder verschenen werk van Piet Paaltjens wel gekend hebben en dus ook ‘Aan Rika’?

Daarin gaat het om de ontmoeting van een dichterlijke treinreiziger die in een andere trein een vrouw ziet zitten die hij Rika noemt, ook al heeft hij haar slechts eenmaal gezien en kon de ontmoeting niet korter zijn.

 

Lees gedicht

 

Aan Rika

 

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart

Gezeten in een sneltrein, die de trein

Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.

De kennismaking kon niet korter zijn.

 

En toch, zij duurde lang genoeg om mij,

Het eindloos levenspad met fletse lach

Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij

Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

 

Waarom hebt gij van dat blonde haar,

Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,

Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?

Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

 

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,

En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,

En om mijn hals uw armen vastgekneld,

En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

 

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?

Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,

Dan, onder hels geratel en gestamp,

Met u verplet te worden door één trein?

 

Piet Paaltjens

 
Na deze zo dodelijk geïroniseerde flitsontmoeting haalt geen dichter het nog in zijn hoofd om in alle ernst nog iets op papier te zetten dat ook maar zweemt naar wat François Haverschmidt zijn Piet Paaltjens over Rika laat zeggen, zou je denken.

 

Haverschmidt heeft, mag ik aannemen, met ‘Aan Rika’ een parodie geschreven op 'À une passante' van Baudelaire, in Les Fleurs du Mal.

 

Lees gedicht

 

À une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.

Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,

Une femme passa, d'une main fastueuse

Soulevant, balançant le feston et l'ourlet ;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.

Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,

Dans son oeil, ciel livide où germe l'ouragan,

La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair... puis la nuit ! - Fugitive beauté

Dont le regard m'a fait soudainement renaître,

Ne te verrai-je plus que dans l'éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d'ici ! trop tard ! jamais peut-être !

Car j'ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,

Ô toi que j'eusse aimée, ô toi qui le savais !

 

C. Baudelaire

 

Het werd door Peter Verstegen vertaald.

 

Lees gedicht 

 

In het voorbijgaan

 

De straat omgaf mij met haar daverend kabaal en

Lang, slank, in diepe rouw ging mij een vrouw voorbij,

Verheven in haar smart; met fraaie hand liet zij

De zoom van haar gewaad opzweven en weer dalen,

 

Op snelle benen en met statueske grootheid.

En uit haar ogen, loden lucht waar storm ontspringt,

Dronk ik verkrampt, bevangen als een zonderling,

Zoetheid die fascineert, genot dat tot de dood leidt.

 

Een bliksemflits... en toen de nacht! ­ Vluchtige schone

Wier blik mij één moment met levenskracht beloonde,

Zal ik je in het eeuwig leven pas weer zien?

 

Elders, ver weg van hier! Te laat! Of nooit misschien!

Ik weet niet waar jij vlucht, jij niet waar ik zal gaan,

Vrouw die ik had bemind, vrouw die dat hebt verstaan!

 

(vert. Peter Verstegen in Baudelaire, De bloemen van het kwaad)

 
Daarin wordt in de eerste acht regels van een sonnet een verschijning en gewaarwording beschreven die in het negende vers wordt beschreven als een bliksemschicht, un éclair, waarop een nacht volgt waaraan geen einde komen zal. En dat laatste doet me weer denken aan ‘Het standvastige tinnen soldaatje’ van Andersen die met zijn papieren danseresje het geluk mag vinden in een brandende kachel. Zo eindigt sonnet LXI van Kloos niet, maar ik hoef maar een minuutje in Verzen te bladeren of ik vind het slot van sonnet XVI:

 

‘Maar Gij komt mij nabij in kracht van pijn

En vreugd, en dus wil ‘k U mijn doodsblad geven:

Mijn groote glorie zal dees bladzij zijn.’

 

En zo dwalen we door de negentiende eeuw.

 

Willem Kloos, Verzen. Uitgeverij Van Tilt, Nijmegen 2017

Peter Janzen en Frans Oerlemans, Willem Kloos [1859 – 1938] O God, waarom schijnt de zon nog! Van Tilt, Nijmegen 2017

Piet Paaltjens, Snikken en grimlachjes. Academische poëzie. Bezorgd door Marita Mathijsen en Dick Welsink. Delta, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2003.


Charles Baudelaire, De bloemen van kwaad (vert. Peter Verstegen). Van Oorschot, Amsterdam 2005.


H.C. Andersen. Sprookjes en vertellingen. Van Holkema & Warendorf, Bussum 1975.

Submit to FacebookSubmit to Twitter